Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


hundra

Inhoud

Hundra Windvlechter; human Barbarian

HundraHundra miniatuur

Charactersheet

Speler

Party

Hundra Windvlechter is de “Chaotic Good” Barbaar uit de party Eliat, het spel.

Geleid door Simon. Waar hij samen met Ann (Tom), Hundra (Bjørn), Seebo Borrlt (Bertil), Sjuurli (Feico), Tharilith, (Chiquita) en Victoria Fabricius (Bart).

Reisverslag

24e t/m 29e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp (2): Schipper mag ik ook eens varen.

De Tocht door de woestijn is lang en heet en zwaar. Maar ik geniet elke tel die we buiten zijn na dat opgesloten zitten in dat duistere dwergen hol (Hoewel ik dat natuurlijk niet tegen Andraï zeg. De anderen zijn opeens heel erg bezig met de missie. Hoe zien de objecten er uit. Waar liggen ze. Hoe worden ze bewaakt. Door wie. Als we ze zouden stelen, hoe komen we er weer mee weg.

Ik krijg er heel erge hoofd pijn van. Ik ben dan ook blij als Andraï me vraagt om mij het sturen van schip kundig te maken. Dan heeft hij wat rust en tijd om met de anderen te praten. en heb ik wat meer de de frisse wind door mijn haar.

Na een aantal dagen van varen op de speeder en plannen smeden komen we aan bij een, de 4 goden verhoede, een andere grot. Andraï loodst ons naar binnen en we moeten een verschrikkelijk gangen stelsel door. Niet alleen omdat het donker en gesloten is maar ook vergeven van het ongedierte. Ann en Tharilith worden beschoten door een elf op een spin. Blijkbaar met giftige pijlen want ze zien er opeens erg beroerd uit. Voordat we de aanval kunnen inzetten rent het voor ons weg. Of lokt het ons mee…

24e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp (2): Een sprong in het duister.

Dat moet helaas wel stap voor stap, we gaan in complete duisternis de trap af. als we op een tussen verdieping komen worden we nog aangevallen door zwarte lege harnassen. Een soort magie. Maar gelukkig kun je er gewoon overheen springen. Helemaal beneden aan de trap liggen inderdaad boten te wachten. We zoeken er een uit. zorgen voor voldoende voorraad en en gaat het de grot uit. De open hemel tegemoet.

24e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp (1): Geen steek zien is toch geen reden om er mee te stoppen!

Als we uiteindelijk Andraï, van top tot teen vastgebonden, terug gevonden hebben, weet hij ons, tussen vele mooie dwergen uitlatingen door, te vertellen dat we besodemietert zijn door zijn vrienden. Ze hebben ons in onze slaap verlaten op koers naar de politie. Geluk bij een ongeluk dat we op die monster zijn gestuit!

Mooi en aardig maar we zitten nu wel mooi verlaten in de woestijn zonder vervoer. We verzamelen wat kun tillen aan voedsel en water en gaan op weg naar een verlaten dwergen stad. Andraï leert ons om met plankje onder de voetjes te lopen. Das loopt echt beter door het losse zand. Om de hitte te ontvluchten en omdat Andraï ons bezweert dat de stad verlaten is, gaan we naar binnen. De staat beslaat een complete heuvel. Na ja de binnen kant van de heuvel dan. Alsof het al niet er genot is om de lucht niet boven je te hebben. Het is hier ook nog eens aarde donker. geen hand voor ogen, geen steek te zien. Tenminste tot iemand er aan denkt om fakkels te ontsteken. Daarna is het weer schrijnend jammer dat we geen lucht boven ons hebben in dit fakkel licht. De tocht gaat door zalen en gangen steeds dieper de stad in. Andraï wil ons naar een haven brengen. Hij denkt dat daar misschien nog boten liggen. iedereen is het er mee eens dat we die kans moeten nemen.

Als we na, De 4 goden mogen weten hoelang, in een grotere open ruimte komen. Een soort balustrade. worden we compleet verrast door kruisboogvuur. In het zwakke licht zie ik een paar lelijke dwergen. Ik trek mijn zwaard en storm er blind op af. Vloekend en tierend hak om me heen. Net zo lang tot de lafaards het op een rennen zetten. “Maar zo gaat dat niet” schreeuw ik hen achterna. en zet de achtervolging in.

21e t/m 24e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Grundle, het is hier Schuring en inslag

De 20 meter val naar beneden is toch harder aangekomen dan ik gedacht had. Ik ben een hele dag kwijt en bevind me opeens in het huis van de dwerg Andreï. Geen idee hoe we daar verzeild zijn geraakt maar voor ik daar goed en wel antwoord op kan krijgen sommeert de dwerg: “Vlug verberg jezelf, de Grensbewaking komt er aan.”

Ik gris nog snel een kruik drank van het dressoir en kruip in de staande klok. iets verteld me dat dat een goede plek is. Niet veel later roept Andreï ons weer te voorschijn. De wachters zijn op zoek naar ons. Ze hebben ons de grens over zien gaan. Een kwestie van tijd voor ze terug komen zegt de dwerg. Ik zal jullie verder brengen. We sjouwen door de bergen van Grundle slapen af en toe onder een deken die Andreï ons gegeven heeft en eten rusteloos ons karige maal.

Onderweg vraag ik Seebo of hij al iets gevonden heeft voor mijn zwakkere gestel sinds dat gedoe met dat bezeten zwaard. Dat heeft hij zegt hij. “Het hangt om je nek als je dat op drinkt wordt je - als het goed is - volledig hersteld.” Ik kijk hem met een schuin oog aan. “Echt waar, geloof me maar.” Grijnst hij. Ik besluit de gok te wagen en drink het hele flesje leeg. Ik voel hoe de spieren in mijn lichaam aangroeien en harder worden. Hoe de lucht zich weer vrij in mijn borst laat zuigen. Ik voel me weer helemaal goed. Dit is fantastisch. Ik weel Seebo optillen en hem zoenen maar weet me te beheersen. Ik knik en zeg dank je. Dan vervolgen we onze weg weer. een flesje minder maar weer helemaal fit.

De dwerg probeert ons er ondertussen in te luizen door nonchalant te vragen waar ons doel is. En natuurlijk zijn er dwazen die hun mond dan voorbij praten. De dwerg weet genoeg en brengt ons verder naar Lazareth, een heuvel in het kale landschap, Daar regelt hij een zandslee, een soort boot maar dan voor de woestijn. Voordat ik benedendeks ga zie ik nog net hoe Andreï wat zakjes in ontvangst neemt. “Verkoopt hij ons?”

Het leven aan boord is voor ons eentonig en stoffig. Benedendeks is er niet veel te doen. Er is ruimte voor ons gemaakt tussen de overige lading. Kisten, Balen en Tonnen. Alles is opgestapeld en vastgesjord. Er is eten en drank voor ons en ook iets als een tafel en een bed voor iedereen. Dikke zachte banken. Ik oefen wat met mijn zwaarden en repareer mijn uitrusting.

In de middag van de tweede dag remt de boot plotseling af met een heftige schok. Ik kan me ternauwernood vast houden maar als even later de boot naar linksvoor begint te hellen begin ik, samen met de lading te schuiven. Ik zie Seebo en Ann naar de trap rennen. Ik ga snel naar een luik in de wand aan rechterkant om daar door te klimmen. Een tweede schok (Wat gebeurt er toch buiten?) zorgt er voor dat ik een stap achteruitval. Het luik valt hard op mijn vingers. Au! V zie ik op de lading klimmen. Achter mij splintert de zijwand van de zandslee open. de eerste tonnen vallen samen met het Sjuurli naar buiten. Ik klim uiteindelijk naar buiten en probeer me op de hellende romp staande te houden. Ik hoor Tharilith gillen en zie waarom. Twee Enorme insect-achtige creaturen staan de zandslee te slopen. Enorme kaken kraken onophoudelijk de planken in splinters. Een volgende schok laat me jammerlijk de diepte in tuimelen, het Sjuurli en Tharilith tegemoet.

Mijn val word keurig door hen beide opgevangen. Verdwaast sta ik weer op en grijp Cysgodol uit haar schede. Ik geef een brul en storm woedend op de eerste tegenstander af. Bloed waast voor mijn ogen en als ik weer bij zinnen kom is de vloer bezaaid met lichaamsdelen van de twee monsters. Ann, V, Tharilith, Seebo en Sjuurli zijn veilig. Moe laat ik me op grond zakken. Ik zit onder het bloed en het is niet allemaal van een ander.

Iemand vraagt waar de dwergen zijn gebleven en waar is Andreï eigenlijk?

17e t/m 20e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Gekker moet het niet worden

Na ons avontuur met de Sphinx blijven we een aantal dagen naar het noorden lopen. we volgen een opgedroogde rivierbedding en komen uiteindelijk voor een hoge pas uit. Ann neemt ons allemaal (behalve V natuurlijk) mee over de kam. V wil nog steeds niets van magie weten. Als je het mij vraagt is ze gewoon jaloers.

Aan de overkant vervolgt bedding haar weg. Hier bestaat ze alleen uit natte kiezels. Water! hoera. Ik besluit de pas er stevig in te houden en het duurt dan ook niet lang voor we Seebo een flink eind achter ons hebben gelaten. Voor ons, aan de linkerzijde op de oever, zien we een huisje wat hoog in een rotswand gebouwd is. We besluiten er een kijkje te nemen. Ik klim alvast de oever op. en wacht op de rest. V, Ann en Tharilith besluiten niet op Seebo te wachten en meteen door te klimmen naar boven. Dat vind ik nogal bot, dus blijf ik maar wachten op Seebo. Al zie ik hem nog steeds niet. Niet veel later hoor ik Ann roepen dat er iets verder op gewoon een trap naar boven is. Ik dank haar en roep dat ik nog even op Seebo wacht. De anderen gaan vast naar binnen.

Als Seebo er eenmaal is gaan wij met de trap naar boven. Het is een prachtig uitzicht. De anderen zijn binnen aan het rommelen in het huisje. Ik zeg tegen Seebo dat ze vast zullen roepen als ze ons nodig hebben. en ga lekker met benen over rand van het weidse uitzicht genieten. Seebo gaat de anderen achteraan naar binnen. Lange tijd blijft het erg stil. Heerlijk. Som denk ik een gesmoorde kreet van binnen in het huisje te horen. Of gestommel alsof er een baal stof omvalt. Maar dan is het weer heerlijk stil. Wat een heerlijke rust.

Zo zit ik heerlijk te genieten van de zonsondergang, een heerlijke boterham en het gehuil van wolven. Tot ik opeens een klein lelijk ventje met een sliertige baard vanuit een ooghoek zie. “Ah, de kinderen van de nacht, luifter eenf hoe mooi hun mufiek if…” Geschrokken van zijn ploteslinge verschijning, antwoord ik met “Rot toch op!” Daarop geeft spraakgebrekkige dwerg mij een harde duw in mijn rug gegeven en ik tuimel voorover van de klif af. Een goede 20 meter val ik naar beneden maar wonder boven wonder breek ik niets. Pijn. Dat doet het wel. en niet alleen in mijn hart. Waar haalt iemand het achterlijke idee vandaan om zomaar iemand van een klif af te smijten. Het moet toch ook niet gekker worden. Woedend grijp ik mijn zwaard Golau van mijn rug - een gelukkig toeval, zo blijkt later - en ren met grote streden de trap op. Storm het huisje binnen en een achterkamer. Daar staat de lelijke dwerg naar me te grijnzen. Dan flitst er van alles door me heen. Ondood, Nosferatu, Bloedzuiger, Vampier, Houten staak, Knoflook, Citroen, peterselie en Golau. Ah, dat zal die rare kracht van het zwaard zijn. Nu allemaal geen tijd voor. Bloed zal het krijgen. Ik zwaai Golau door de lucht en laat het hard op hem neer komen. Grijzend wil de lelijkerd het opvangen in zijn hand. maar het blad splijt zijn onderarm helemaal open. Het Staart me vol ongeloof aan. Ik zie het niet. Ik ben nog steeds buiten mezelf. Hef mijn blad opnieuw voor een nieuwe ronde. de Ondode gaat een staaltje van kunnen laten zien door voor mijn ogen zijn onderarm weer te helen.

Ik… Ik sla zijn hoofd van zijn onzalige romp. Heel dat maar eens loser!

V en anderen zitten op hun gat op de grond een beetje suf om zich heen te staren. Lekker dan. Bedankt voor de hulp dames. Ik ga weer naar buiten. Even weer mezelf worden. met mijn benen over de reling. De laatste lichtstralen verdwijnen net achter berg.

17e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Frisse Oksels

Het blijft heet en schaars aan eten en drinken in de zand vlakte van Vhar. Ann en Tharilith keren terug met een klomp zanderig ijs. Dat laten we in een grot smelten en door een doek lekken. Boven een pan zodat het drinkbaar wordt. 's Avonds eten we door mij gevangen / gevonden schorpioenen en bijennest. 't is beter dan niets. De volgende nacht struikelt Ann helaas over de pan met water. Ik weet een woede aanval te onderdrukken omdat ik er erg verdrietig van ben. Allemaal kunnen we een klein slokje krijgen voor de pan echt leeg is. dorstig gaan we op weg. Verder de de Vhar Vlakte. Halverwege de nacht steekt er een zandstorm op. Maar gelukkig zijn we vlak bij een oude stad. (De pilaren steken nog voor een kwart uit de grond). We vinden er bescherming tegen de schurende zanderige wind. Als later de wind is gaan liggen. (en de zon alweer opkomt. zien we trappen die een, tja wat is het. Een grot? Een tempel? Een paleis? Het is in ieder geval een voorkant van een groots gebouw uitgehouwen in de rotswand. Trap omhoog en twee katachtige beelden ervoor met menselijke hoofden er op. Hoofden met baarden. We wandelen argwanend naar binnen.

Binnen is het duister maar een fakkel biedt uitkomst. De ruimte is groot en leeg. Bijna leeg. Helemaal achter in staat een basin met helder water. Ik bedenk mij geen moment er spring er in. Het is heerlijk en verfrissend. Ik voel me direct herboren. Trek mijn lege waterzak van de zij en vul deze weer helemaal. Was me flink onder de oksels en stap het bad weer uit. De rest is me ondertussen gevold en vindt het ook heerlijk.

Omdat er verder echt niets te doen is stappen we weer naar buiten. Daar blijkt een van de katten een spelletje met ons te willen spelen en hardhandig word ik op de grond geworpen. Pijn en woede schieten door me heen. Heb ik me daarvoor opgefrist? Met een uiterste krachtsinspanning wurm ik me onder de marmeren poot vandaan en trek in de volgende beweging een zwaard van mijn rug. “Kom maar op!” Wuif ik naar het beest. Dat doet het dan ook. Over en weer worden er rake klappen uitgedeeld. Ik voel meerdere botten in mijn lichaam verplaats worden en breken. Maar ik kan blijven staan en mijn nieuwe zwaard geeft me een gevoel van kracht en moed. Het snijdt met gemak door het marmer van het beest en met die overhand kom ik tenslotte zegevierend uit dit gevecht. Ik stuif, bloed spugend, de trappen weer op en laat me weer voorover vallen in het wassende water. Aaaaah! proestend maar geheeld kom ik weer boven. Als Ann hetzelfde trucje ook probeert. Werkt het bij haar niet. “Vast omdat ze een heks is” denk ik. Maar dat zeg ik maar niet.

3e t/m 16e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Ik verveel me!

De dagen in de woestijn zijn saai, saai, saai. behalve uitleggen hoe een woestenij werkt. gebeurt er niets. En als we al iets vinden (een gong of twee) dan mogen we er niet aan zitten. Ann gaat er in zelfs in haar eentje vandoor om plezier te maken. Jammer dat ik niet mee mag.

3e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp (2): Zand schuurt de maag

Het kost me twee passen om met mijn nieuwe zwaard voor de twee “Kleinere” Rivalen te staan. De Technotrons schieten om me heen weg en zoeken een veilige plek in de gang. De eerste hamerslag van een van de massieve vuisten laat niet lang op zich wachten. Een hete pijnscheut schiet door mijn schouder, zij en dijbeen. Ik zet mijn tanden op elkaar en ram mijn zwaard diep in de kop van het apparaat. 1-1! Maar de moker vuisten van het ijzeren gedrocht blijven onfeilbaar neerdalen op mij. Mijn metgezellen zijn druk met de andere apparaten en kunnen mij dus ook niet ondersteunen. ik zal mij, hoe beschamend dan ook terug moeten trekken om opgelapt te worden.

Ik duik achter de troon waar de kratten met flesjes staan en giet de een na de ander na binnen in de hoop dat het helende drankjes zijn. Ik heb geluk! Niet veel later boor ik, volledig hersteld, mijn zwaard diep in de tegenstander. twee of drie houwen later ligt het monster stuk op de grond. De kleine schiet-grage potkachel trap ik omver en trek zijn binnenwerk eruit. Ook stuk. De derde, de grootste, is door mijn metgezellen stuk gemaakt. Hijgend kijken we elkaar aan. Delen schouderkloppen uit en besluiten dat deze apparaten wel een bad in de lavastroom verdiend hebben.

Als we daarmee klaar zijn komen de technotrons ook weer zo'n beetje uit hun schuilplaats. ik krijg nog een zwaard van ze die echt wel lekker in hand ligt. ook krijg ik een kistje met 6 zilveren flesjes. ik geef iedereen er één. da's beter. Dan steek ik nog een 10-tal blauwe flesjes bij. en stel voor te gaan. “Op naar het licht!” De technotrons gloeien op van vreugde. Dan gaan we.

We lopen een aantal weken door de gangen te zwerven als we plotseling in de hete droge lucht van de woestijn staan. Daglicht! De Technotrons schieten juichend van vreugde de woestijn in en komen niet veel later piepend en schurend tot stilstand. Zand in de radertjes is blijkbaar niet zo goed voor ze. Nu ja, ze zijn in elk geval waar ze wilden zijn.

3e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp (1): Sesam open U!

Als ik de volgende ochtend wakker wordt blijkt al redelijk snel dat mijn slechte droom in het geheel geen droom was. Alle gekke wezentjes zijn er nog en allemaal zien ze mij nog steeds als meester (het feit dat ik geen baard heb doet daar niets aan af). We krijgen ontbijt (geen idee waar dat vandaan komt). Ik vraag Xantippe naar de weg van Abbaran en ze wijst naar de muur met mijn gelaat er op. Dan gaan we maar. We staan op en lopen naar de muur. De rest volgt. “Hoera de meester zal ons naar het licht leiden!” roepen de technotrons (Zo noemt Victoria ze steeds en dat past wel bij ze.) “Ho Ho, jullie mogen meelopen” zeg ik maar dat wil niemand horen.

Bij de troon liggen wapens, staan kratjes met flesjes en nog meer goederen. Een prachtig zwaard staat zeer goed onderhouden in een wapen rek. “Oh, mag ik?” vraag ik aan Xantippe. “Natuurlijk het is van u meester” Toetert het. Seebo en Ann gaan ook zoeken tussen de spullen. Ik hoop dat er ook nog iets ligt om mijn gestel weer te genezen nadat dat vervloekte zwaard mijn kracht uithoudingsvermogen gestolen heeft. maar dat wordt zoeken in naar een speld in een hooiberg. Als iedereen klaar is geef ik een teken om te vertrekken en de muur met mijn gelaat er op splijt langzaam in tweeën. (een verontrustend gezicht). We hangen de rugzakken net om als achter ons de Hel los barst. Bij de ingang van de grot staan de drie stuk gewaande rivalen van de technotrons. 'Ahum', 'Kuch' en 'Hatsjoe'. Hoe is dat mogelijk?

'Ahum' en 'Kuch' schieten naar voren en zijn al snel in gevecht. 'Hatsjoe' begint te schieten op ons daar zijn de pijlen van Tharilith helemaal niets bij. Dit wordt vast een geweldig gevecht.

2e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp (3): De vrouw met de baard.

Ik droom dat ik wakker wordt in een zacht bed. Of ja, bed. Als ik mijn ogen voorzichtig open doe zie ik dat kussens is een beter woord is. Een hele stapel kussens. Een klein metalen voorwerp naast mijn springt overeind en schiet er op kleine wieltjes vandoor voordat ik het kan grijpen. Voorzichtig doe ik mijn hoofd een beetje omhoog en zie dat ik in een kleine grot lig. Niet laag maar zeker kleiner dat de enorme grote die ik door de opening zie. Ik zie nu ook dat ik van top tot teen verbonden ben. Of beplakt is een beter woord. honderden witte blaadjes zijn over mijn armen, benen, buik en gezicht geplakt. ik peuter er een van mijn arm en zie er niets bijzonders onder. Wat is hier bij de 4 goden aan de hand? Waar ben ik. Ik langzaam zitten en kijk eens goed om heen. Nog zo'n metalen gedrochtje naast me. “De Meester is wakker!” snerpt het met een blikken stem. “De Meester is wakker!” en dan schiet het weg de grote ruimte in. Aldoor roepend: “De Meester is wakker!”

Wakker. Helemaal niet. Ik droom. Versuft als ik ben, wacht ik op wat er gaat komen. Een groter construct komt de ruimte in stelt zich voor als Xantippe (ja, dat dacht ik ook) Het legt mij uit dat ik de Meester ben en dat zij allen al vele cycli op terugkeer wachten. Voordat dat ik zeg dat dat niet klopt wil ik eerst wel eens weten wat een cycli is. Dat blijkt te bestaan uit omwentelingen, blokken, strepen en krassen. Ik raak het kwijt merk ik. En Xantippe merkt dat ook. “Kom ik laat het u zien” toetert het uit zijn koperen keel. het waggelt naar de grote zaal en ik volg behoedzaam. Daar laat het me een groot bas-reliëf zien van een 12 meter hoog gelaat. Een gelaat dat precies het mijne is. (Nu ja, zonder dat sikje dan.) “Wat heeft dit nu weer te betekenen.” Mompel ik. “Dat hebben wij voor u gemaakt met elke dag een krasje.” toetert Xantippe. Maar… Dat moet dan duizenden jaren zijn denk ik bij mezelf. Het zal toch geen 12.000 jaar zijn? Maar dat houd ik voor me.

“Dus ik ben de meester. En wat moet ik dan doen nu ik terug ben?” vraag ik achteloos aan Xantippe. “Ah dat is simpel.” zegt het u moet 'Ahum' en 'Kuch' de trawanten van 'Hatsjoe' verslaan zodat wij naar het licht kunnen reizen.“ Als ik vraag wie dat zijn, antwoord ze mij dat het grote gemene constructies zijn ze lijken op een metalen dwerg een potkachel en een ijzeren man. “Ah,” zeg ik “dat maakt het dan makkelijk. Die zijn allemaal als stuk. die kachel en die dwerg hebben wij net gemold en die andere was al stuk toen wij hem zagen. Xantippe kijkt me bedenkelijk aan maar als ik volhardt en beschrijf hoe de dolk in het harnas steekt (pun intended) barst ze in extase uit. “HOERA de antagonist is dood! Lang leve de meester. De verdelger van 'Hatsjoe'! (weer die rare naam). Daarop barst er een groot gejuich los en wordt ik opgetild en meegetroond naar een grote troon onder 'mijn' gelaat in de muur.

Dan zie ik opeens mijn vrienden tussen de alle ijzeren wezens staan. Ik roep ze en ven later staan ze bij me. Half-half leg ik uit wat ik allemaal aan het dromen ben. en hoe wij de Antagonist voor deze wezens hebben verlagen en dat ik op hun meester lijk. Victoria probeert me uit te leggen dat het geen droom is maar echt is. Het zal.

Xantippe vraagt me of ik ze nu naar het licht zal leiden. En ik zeg dat ze rustig met ons mee naar buiten mogen. Een groot gejuicht zwelt op. De anderen kijken me met grote ogen aan. “Wat? ze mogen toch wel mee lopen.”

2e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp (2): Volg mij maar.

We blijven het gangenstelsel volgen en komen al snel uit in…. Exact dezelfde ruimte. Alleen zijn er nu twee rare metalen wezens Die halve Dwerg en een soort metalen houtkachel. “Dan gaan we er nu maar eens echt doorheen.” grom ik. Ik trek mijn zwaard en en ren op de metalen constructie af met het kabouter hoofd. Het blad boven mijn hoofd ram ik het diep tussen zijn ogen. ik trek het weer los en sta boven op de stenen tafel voor het me terug kan slaan. Deze is nu zwaargewond en half verblind. Die moeten ze wel aan kunnnen lijkt me. Ik concentreer me op de kachel. Een sprong later sta ik voor de metalen buis. Die onophoudelijk bezig is mij te beschieten uit een andere metalen buis die uit zijn bovenkant steekt. Dat doet overigens flink pijn. Pijlen zonder schachten. Ze gaan dwars door je heen. Dat moest maar afgelopen zijn en ik trap het ondersteboven. Nog spartelend met zijn ijzeren voetjes ram ik mijn blad aan de onderkant naar binnen en verniel alles wat er in zit. Als ik merk dat het creatuur al een tijdje niet meer beweegt stop ik mijn aanval.

Het andere creatuur blijkt inderdaad door de anderen te zijn neergelegd. Ze kijken me vreemd aan maar ik kies er voor dat te negeren. Ik kijk om heen en zie dat de creaturen achter stenen platen vandaan zijn gekomen. Er is nog zo'n derde stenen plaat maar die staat niet open. Daar moeten we door zeg ik vastbesloten. De rest twijfelt maar ziet ook geen andere optie. Dus ik open de doorgang. “Ha ha, wat zei ik. Een gang.” En wat voor een. Er hangt een harnas in aan een rails en het heeft een bekende rune in zijn helm gekrast. Als ik het niet dacht.

Als ik het Harnas opzij duw om iedereen er langs te laten, zie ik dat er een dolk in zijn nek steekt. Precies tussen de helm en het harnas. Mooie stoot denk ik bij mezelf en laat het harnas vallen als ik als laatste er door ben.

Na een eindje de gang in lopen komen we weer bij een deur. Ook deze open ik. Een warme walm komt mij tegemoet. Ook het licht van de fakkels is niet echt meer nodig. Onder ons (als we over de richel kijken) kolkt een rivier van lava. Aan de overkant zien we een doorgaan, dus dat is goed. Jammer wel dat er geen brug naar die overkant is. Als ik wat beter om mij heen kijk, zie ik dat de rails waar het harnas aan hing, de hele weg hier naar toe aflegt en zelfs verder gaat. Het ravijn over en de doorgang aan de overkant in verdwijnt. Ik zie een gouden kans. Kom op zeg ik tegen de anderen. Doe als mij. Ik gooi een klein stuk touw over de rails houd beide uiteinden vast en roetsj naar de overkant…

2e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp (1): Waar zijn de helden?

De volgende dag lopen we het dal in via het geiten pad moeten een stroompje over steken. Gelukkig ligt er een oude reling van een vergane brug zodat we geen natte voeten hoeven te krijgen. Aan de overkant zien we een gebouw. een soort vesting maar de beur staat open en het lijkt nogal verlaten. We gaan naar binnen. Alles hier ademt: vestingwerk voor dwergen. Ons vermoeden van verlatenheid lijkt wel te kloppen we gaan de begane grond en de eerste verdieping af maar vinden niets of niemand. Alleen een trap die naar beneden die leid naar een ondergronds gangenstelsel. Ook daar zien we verschillende kamers maar allemaal leeg. Goed zijn schoongemaakt en daarna verlaten en vergeten. Na een aantal meters vinden we een constructie om van dit gangenstelsel naar het gangenstelsel boven ons te komen. Daar komen we weer in een gang en aan het einde daarvan vinden is een ruimte waar we oog in oog komen met een wel heel vreemde constructie, half dwerg, half machine. De kamer wordt doorgerend en snel trekken we de deur achter ons dicht. De meiden zijn duidelijk bang voor de constructie. We zullen zien of dat nog moeten overkomen.

1e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Pappen en nat houden

Na een karig ontbijt valt dan eindelijk het besluit om de water te varen. Ik kruip bij Ann op de bezem en trek het bootje met de anderen voort. Aan de andere kant zien we, zoals verwacht de brug. We varen een hele tijd. Even meen ik rechts van ons een glinstering in het duister te zien. Als ik het Ann zeg wil ze weten wat het was maar omdat ik twijfel aan mijzelf laat ik het er maar bij zitten. we varen door en een kwartier later wordt het bootje aangemeerd aan een grote ijzeren ring in een pijler van de brug en nog even later staat iedereen boven.

We lopen nog niet eens zo gek ver als we voor een blinde muur komen te staan. Links en recht is een trap naar beneden die uiteindelijk in het water leidt. Omhoog de muur lijkt niet echt een optie dus ik besluit te kijken of het water doorwaadbaar is. Voorzover je de drek beneden water kunt noemen. je zakt er wel in weg en het wordt te diep. Jammer. Weer naar boven dus. Ik hint dat de Elf misschien zou kunnen proberen of er een geheime doorgang in de muur is. En ja hoor, Tharilith vindt in een zevental geheime openingen. 2 redelijk grote en 5 kleinere. De 5 kleine zijn een soort treden die naar opening 6 leiden. Een paneel. Het paneel heeft 3 hendels, De laatste opening is een deur. Zo simpel kan het zijn.

Ann voegt de daad bij het idee en haalt de hendels een voor een over. Daarmee opent ze inderdaad, zoals gehoopt, de deur. Maar een doorgang wacht ons niet. Er valt een grote ijzeren staaf met een bol erop uit. Het sist en sizzelt en begint kleine bliksemschichten te gooien. ik maan iedereen te rennen voor wat het waard is. Achter ons horen we een enorme knal als de ontlading van de grote bliksem komt Seebo wordt helaas getroffen. De goden zijn duidelijk niet gesteld op de kleine mens. Dan begint de bol opnieuw te zoemen. Weer zijn er een paar kleine flitsen te zien. We wachten de knal niet af en houden deze route voor dood-lopend.

Omdat niemand zo een beter idee heeft zeg ik: “Misschien moeten we toch kijken wat de glinstering was.” De groep is het met me eens en even later gaan we met bezem en boot weer terug. Als we daar aankomen zien we een heel klein eilandje. Net groot genoeg zodat een geestesziek persoon er een dode dwerg op kan spiesen en zijn levenloze arm met een roestige bijl kan ondersteunen zodat deze naar het Noordoosten wijst. Om het geheel af te maken is er een grot ijzeren schild voor geplaatst met de rune 'A' er op gekalkt. Zouden we misschien die kant op moeten?

We varen een lange, lange tijd Noordoost zonder iets te hoeren of te zien. Dan opeens een zien we een witte muur Vol met beelden van dwergen. Bij het zwakke schijnsel van de toortsen vergapen we ons aan de enorme klus die dit geweest moet zijn Als opeens Victoria een gilletje slaakt. Ze heeft iets gezien dat op een 'A' lijkt. We draaien om en ja hoor, een 'A'. We zitten dus op de goede weg. Echter weten we niet of we hier nu links of rechts moeten.

Al zoekend naar een pijl of een andere aanwijzing drukt Victoria op de 'A' “klonk”. Dendert het door de donkere stille ruimte. De steen zakt in de muur weg. Even gebeurt er niets en we willen net elkaar verbaast aan kijken als opeens een gedeelte van de muur voor ons naar beneden zakt. Het water gutst over de opening heen en het bootje loopt tegen de muur aan. Ik laat onmiddellijk het touw los en zie de boeg van de boot naar de opening draaien. Het bootje blijft voorlopig nog tegen de muur gedrukt maar als de muur verder zakt is het gebeurt.

Met mijn benen geklemd laat me draaien op de bezem zodat ik onderste boven hang en grijp de de achterkant van de sloep. Uit volle macht probeer ik samen met Ann recht te zetten wat Victoria nu al voor de tweede keer verprutst. Namelijk: een val af laten gaan zonder eerst te onderzoeken. Helaas, hoe ik mijn kracht ook gebruik. Ik glij onherroepelijk van de bezem af en moet wel loslaten. De boot schiet van ons weg. De bezem schiet de andere kant op en landt onfortuinlijk hard tegen de andere muur en splintert in meerdere stukken uiteen. Het lijkt me wijzer nu even niets te zeggen…

Als Ann de stukken, maar meer nog zichzelf, bij elkaar geraapt heeft, laten wij ons ook door het water door de muur mee nemen. Wat anders? We schieten met volle vaart vooruit. Menige keren gaan we rakelings langs het plafond maar gelukkig halen we ongeschonden het einde van de waterbaan en belanden we in een grote vijver met uiterst helder water. Water wat licht uit straalt. Het moet niet vreemder worden brom ik. Wel fijn dat hier geen fakkel nodig is. Anders hadden we niets gezien. In het water zwemmen een soort aalen. Grote glibberige aalen. Een aantal keren schampen ze langs mijn benen. Voordat ze echt beginnen aan te vallen en te bijten. Ik pak mijn dolk en na een wilde onder-water worsteling is het water op een plek iets minder helder. Maar ik kan gelukkig weer met mijn hoofd boven water om adem te halen. Dan zien we het bootje. Het vaart op het meertje met Tharilith er in. Samen met Ann klim ik aan boord en bedank Tharilith voor de veerdienst. Ze roeit ons naar de kant van het meer waar Seebo en Victoria staan te wachten.

Nu we allemaal weer bij elkaar zijn vervolgen we onze weg. De gang loopt in een rondje naar beneden en eindigt bij een deur met een rond raam. Ann zegt dat ze achter het raam een vis ziet zwemmen. Dit is dus niet de doorgang die we moeten hebben. Maar waar dan heen? Dan horen we allemaal een stuk metaal vallen. We bedenken ons niets en we gaan rennend terug richting de steiger.

Eenmaal bij de steiger is er gelukkig niets gebeurd waardoor we nu in de val zitten. Dat was wel mijn gedachte. Wel ziet Seebo dat hier een paneel is weggevallen en het onthult twee wielen en twee hendels. “Ah, de val” denk ik maar zeg nog niets. Seebo onderwerpt het plafond aan een grondige inspectie. „Er hangt wel wat maar geen idee wat het is” meldt Seebo ons. Victoria wil wel graag aan het wiel draaien. Ik doe al vast een paar passen achter uit. De laatste ervaringen waren niet de beste. Het spreekt voor haar dat ze de vraag in elk geval gesteld heeft voor dat ze begint te draaien.

De val blijft dit keer uit. Langzaam komt er een soort tube uit het plafond naar beneden. Als Victoria niet verder kan draaien, is de tube geheel onder water gezakt voor de deur. “Aha” roept Ann en rent weer naar beneden. Victoria trekt aan de eerste hendel. Ann roept ons toe dat ze luchtbellen bij de eerste deur ziet. Victoria trekt aan de tweede hendel. Ann roept dat ze luchtbellen aan de andere kant van de tube ziet. Zit daar dan nog een deur?. Als er aan het kleine wieltje gedraaid, ontstaat er een enorme luchtbellen massa over de gehele lengte van de tube.

Weer gaan we met z'n allen naar beneden. Ann opent de deur. Een golf water slaat over haar voeten maar de gang ligt voor ons, relatief droog. We lopen door de tube naar de andere kant en, inderdaad, daar is ook een deur. Snel opent Ann ook deze deur en we staan in een witte, marmerachtige gang. Deze volgen we en op elke kruising vinden we 'A'. De weg is relatief makkelijk. En uiteindelijk staan we in de buitenlucht, midden in een berggebied op een richel.

Een geitenpad naar links leidt ons het dal in. Tijd om kamp te maken.

30e Roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Ik zei nog zo, gooi het weg.

De volgende ochtend tijdens het ontbijt bezien we onze status. We hebben de zadeltassen van het tapijt kunnen redden maar het tapijt zelf is gisteren verloren gegaan. Victoria is haar paard ook kwijt maar aan die had waarschijnlijk toch niet mee gekund in de berg. Ook bekijken we nog even het schouwspel voor ons. trappen bruggen en nog meer trappen en bruggen. Sommigen zijn stukgeslagen. We beginnen met lopen en zien vrijwel direct hetzelfde “A” teken voor ons in de grond gebeiteld. Goed teken. (Voor wat het waard is.)

De weg gaat langzaam en slingerend heen en weer omhoog en omlaag. Soms moeten we halsbrekende toeren uithalen om het volgende gedeelte te bereiken. Dan ineens vanuit het niets horen we prachtig gezang. Engelen gezang. Het is ontroerend, sereen, en rustgevend. Alles wat ik niet ben en niet wil zijn. Ik verzet me tegen het sussende gezang en zie net hoe Victoria Seebo van een gewisse dood redt door hem bij het brug-eind weg te trekken. Die sukkel was zo de diepte ingestapt. Geschrokken en weer bij positieven springt hij weer terug. Maar goed we moeten verder. Het wordt er immers niet veiliger op. Ik neem een aanloop en spring naar de overkant gevolgd door Ann en Seebo. Als ook Tharilith de sprong waagt maakt ze een misstap en verdwijnt met een ijselijke gil de afgrond in gevolgd door Victoria. Wat! Victoria duikt achter Tharilith aan? Zaten ze vast dan? Als we een schuwe blik over de rand werpen zien we twee opgeluchte gezichten naar boven kijken. De Vier goden zijn gedankt. De opluchting spat ook van mijn gezicht. Als ze naar boven zijn geklommen mompelt Victoria iets heldere geesten. Alsof we daar opzitten te wachten! Bij de volgende sprong die we moeten maken worden we belaagd door een groep vliegende vrouwen… “Harpijen.” Bezweert Victoria “Die ken ik uit de boeken van mijn oom. Vervelende feeksen zijn het.” Voor mij hoeft het beest beest niet direct een naam te hebben. Ik trek mijn zwaard en sta klaar maar voordat we goed en wel iets kunnen doen grijpen de feeksen Tharilith van de brug en sleuren haar krijsend mee. Weg uit ons zichtveld. Na een paar minuten verstomd het bloedstollende gegil in de verte. We kijken elkaar verstomd aan. Ik besluit al eerste maar te spreken. Hoe verschrikkelijk ook. We moeten verder. Verder de mijn in. “Kom op” zeg ik “We moeten verder”. Even kijkt iedereen me aan met ogen vol ongeloof maar niet veel later hebben we de laatste sprong gehad en staan we weer op een trap omhoog eindigend in een bordes.

We horen vanuit die richting een geluid op ons afkomen. Het geluid van metaal dat over steen snerpt. Het geluid van metaal dat vonken trekt door de stenen ondergrond waar het doorheen trekt. Daar staan we dan, een afgrond achter ons en een trap voor ons. Samen met Seebo ga ik de trap op het onheil tegemoet. Victoria blijft achter haar hoofd koel en de achterhoede veilig houdend.

Dan doemt boven aan de trap een maar al te familiair gezicht op. Een demonische verschijning, een Elf met een groot zwart zwaard. de vrouw lijkt vleugels te hebben en vuur uit haar ogen te spugen. een sardonische glimlach krult haar lippen en ze laat de punt van zwaard vonken spugend doortrekken tot het naast haar rechtervoet tot rust komt. “Vervloekt, De trut heeft het zwaard gebruikt.” Seebo probeert een spreuk iets met magie maar de “Nieuwe Tharilith maakt aan die illusie snel een eind. Ze trapt Seebo met een wel gemikte voet de trap af Victoria kan Seebo nog net grijpen zodat hij niet de afgrond inrolt. “Victoria doe iets” roep ik naar beneden en grijp mijn zwaard om Tharilith zolang af te weren.

Even later staat Victoria naast me en duwt een stuk touw in mijn hand. “Wacht om mijn teken” zegt ze voor ze over de rand van de trap klimt. Ik snap wat ze wil en al ik even later de woorden “Hundra spring NU!” hoor. Spring ik aan de andere kant. Het touw spant zich direct en trekt, zoals Tharilith van haar voeten. Snel klim ik omhoog en sta samen met Victoria op het bordes.

Tharilith ligt op de trap in haar minder afschrikwekkende gedaante. Het zwaard ligt op de trap. Victoria kijkt naar mij en ik knik. Een tel later schopt Victoria het over de rand van de trap de diepte in. Een zucht van verlichting gaat door me heen. Daar zijn we voor goed van af Ik steek mijn duim naar haar op en zij steekt haar duim naar mij op. Seebo kijkt triest de afgrond in. Goudzucht koopt een boel ellende.

Als Tharilith weer bij positieven is vervolgen we onze weg, de Weg van Abbaran. Ik denk dat we nog geen uur verder zijn als we worden ingesloten door een hele grote groep vliegende octopussen (het hoeft tenslotte geen naam te hebben) Sterk zijn ze niet maar wel veel. en ze zijn er gek op om op je hoofd over je gezicht te vallen. Een nare hebbelijkheid en het splitst de groep in individuen. hakkend en scheldend struikel ik door de groep heen en als we ten lange leste teveel van de vliegende wezens verslagen hebben en zij nog geen van ons geven ze het op en verdwijnen weer de duisternis in.

Als we de brug blijven volgen horen we een steeds luider gerommel en na een goed uur gelopen te hebben staan we voor een waterval. Ann springt op haar bezem en gaat op verkenning. Als ze terug komt vertelt ze dat de waterval van het aardoppervlak, naar beneden valt. Maar ze kan ons wel één voor één om de waterval heen vliegen. Dat zal hooguit een halfuur duren per persoon. Goed idee maar natuurlijk weigert Victoria resoluut. Praten heeft geen zin en we willen Victoria nog niet achterlaten dus moeten we wat anders. Ann duikt de diepte in en komt triomfantelijk naar boven met de melding dat er een bootje ligt.

We besluiten de gok te wagen en het bootje te nemen. We komen uit op een brug die parallel loopt aan de brug waar we net op liepen. Weer wordt er een “A” teken gevonden. Gelukkig we zitten nog steeds op goede weg.

We besluiten we rust te nemen. Morgen is er weer een weg.

9e-29e Roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Donkere tijden liggen voor ons.

Als we 's ochtend ontwaken is de Kapt. verdwenen, als zijn spullen achterland, Seebo verteld ons dat hij het belang van de opdracht in wat meer detail heeft verteld.

“Reis naar de Weg van Abbaran in het noord westen van de Errions en steek daar Het Ruggegraat gebergte over. Volg de gangen naar het noorden dan kom je uit in de Grote Vhar Woestijn. Ga naar het westen en steek het Midden Rif Gebergte over.”

Hij heeft een kaart van het gebied een brief voor het dwergen verzet en een zak met 100 gouden kronen achtergelaten.

Ann vind ook nog een vliegend tapijt en twee grote lastdier tassen vol met proviand. Dat besluiten we mee te nemen. Helaas wil Victoria niet op het tapijt plaats nemen dus zullen we in loop tempo terug moeten naar het dorp bij Einselmeer voor de laatste inkopen, waaronder een paard voor Victoria, en wat beraad.

De reis over de weg naar Abbaran verloopt zonder noemenswaardige gebeurtenissen en breng ik vooral luierend op het tapijt door. Als we na bijna drie weken de doorgang in de berg bereikt hebben en we afstappen voor de laatste meters worden we plots aangevallen door een groot vliegend monster. De begroeiing is hier te dicht om mijn zwaard te gebruiken. Ik pak een speer en probeer richting de grot ingang te komen. Daar kan ik maximaal gebruik maken van mijn wapens het beest dwingen te landen als het ons blijft lastig vallen.

Het Monster scheert over ons heen en braakt met het gebulder van een orkaan iets uit over mijn metgezellen. Dat is treurig maar hier blijven staan lost voor niemand iets op. Ik plons door het water verder naar de opening in de bergwand en stel me op achter een rotsblok. Op de plek waar de anderen waren hangt nu een dichte mist. Ik hoor de vleugels van het gedrocht al weer suizen in de lucht voor een volgende aanval als ik Tharilith en Victoria vanuit de mist zie komen en de grot induiken naast mij. Victoria roept dat we Ann en Seebo moeten gaan halen. Ik weet haar gelukkig te overtuigen dat we dat allemaal niet zullen overleven. Als we willen helpen mot dat vanaf hier. Deze plek is verdedigbaar. Even later zien we Ann en Seebo uit de mist tevoorschijn komen. Strompelend en zwaar verbrand. Daarachter zien we de contouren van het beest opdoemen. “Kom op, kom op … kom op!” roepen we Seebo en Ann toe Ik sta klaar met mijn speren om het beest zo nodig te spiesen. Gelukkig blijkt dat niet nodig en Ann en Seebo halen ternauwernood, maar veilig, de opening van de grot. Het monster scheert opening voorbij, recht omhoog de lucht in. Wij besluiten snel verder te gaan dieper de berg in.

Ann gebruikt haar magie op zichzelf en Seebo om de ergste brandwonden te helen. Daarna gaan verder de grot in. Even later komen we bij een ondergronds meertje. Hier wil de groep gaan rusten. Ik maak geen bezwaar. Na de laatste ontmoeting kan iedereen wel wat rust gebruiken. Terwijl Ann en Victoria een aantal fakkels plaatsen om de ruimte beter te verlichten, zorg ik samen met Tharilith en Seebo voor een kampvuur en een warme prak in een hoek van de grot.

Tijd om het te eten is er echter niet. Ann en Victoria komen met haastige pas terug lopen. “Iedereen! Spullen pakken en als de sodemieter wegwezen hier!” Dat is wat ons in niet mis te verstane woorden gezegd wordt. Ik trek te lang met de groep op om zo'n begroeting te negeren Ik gris mijn spullen bij elkaar, duw Ann haar rugzak in haar armen en zet het op een lopen. Ik kijk nog eenmaal achterom om te zien of ik een glimp van welk gevaar dan ook op kan vangen. Dat had ik beter niet kunnen doen. Kom op denk ik nog Draken? ik ren harder maar hoor het inzuigen van lucht door het serpent. “Duiken” Roep ik voor me uit en duik links een gang in. Overigens geen seconde te laat. Paars vuur vult de gang golf van hitte valt over mij heen. Ik wend mijn gezicht af van de gang en wacht tot de temperatuur weer daalt. Ik hoop maar dat iedereen een gang gevonden heeft. “Is iedereen er nog”? Roep ik vanuit mijn gang. Vier keer hoor ik “Ja” … Gelukkig, iedereen is er nog. We wachten talloze minuten af in de gangen op wat komen gaat. De gang waarin ik mij bevind is gedecoreerd met een helm en half-vergane pikhouweel duidelijk afgetekend in grond ernaast staat en teken. Ik denk dat de anderen dit wel willen zien en aangezien een tweede vuurzee uitblijft roep ik iedereen naar mij toe. Aarzelend (en geef ze ongelijk) komen ze bij mijn schuilplek Iemand weet te vertellen dat rune een “A” is in het oud-common. Victoria denkt dat dit wel eens de weg kan zijn die we moeten hebben, een A van Abbaran, de Weg van Abbaran. Ja da's logica die ook had kunnen bedenken. Ik sluit me er dan ook maar bij aan. We hebben tenslotte toch geen andere aanwijzingen en de draak hoef ik ook niet direct terug te zien. En zo vertrekken we verder door wat hopelijk de weg van Abbaran is. Na een tijdje houden we halt op iets wat een bordes lijkt te zijn, Over de reling kijkend zien we trappen en bruggen en bordessen zover het oog rijkt. Overweldigend groot en onmetelijk. Dit moet de weg van Abbaran wel zijn. Tijd om nu eerst kamp te maken, te eten en te rusten. Het wordt een lange weg.

8e Roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Een nieuwe hoop.

De volgende ochtend vroeg, slobber ik mijn bord pap zwijgzaam op. Het is rustig in de herberg. Een schril contrast met gisteravond. Toen waren alle zalen van het complex vol met de stinkende en drukkende lucht van samengepakte mensen en gemorst bier. Nu staan alle luiken open en waait er een frisse bries. Ik merk dat er daardoor ook een frissere wind door mijn hoofd waait. Nieuwe mogelijkheden en doelen in dit dorp. Als ik mijn ontbijt op heb pak ik mijn spullen op en ga eerst maar eens op zoek naar een wapensmid.

Als er ik er een heb gevonden met de kwaliteit die me deugt en die betaalbaar is. Laat ik mijn zwaard en speerpunten achter. van de drie speerpunten die ik heb zal hij er twee tot werpsperen maken Daarnaast zal hij mijn zwaard repareren en een kleine handbijl pak ik nu al vast op. de derde speerpunt neemt hij als betaling. Een goede ruil.

Ik besluit op markt eens rond te vragen naar de mogelijkheden van karavanen en boten, maar wordt vlot doorverwezen naar de haven of de karavaanplaats. De haven dan maar besluit ik. Ik praat met een kapitein en heb binnen geen tijd een overtocht geregeld over het meer. In eerste instantie voor wat geld maar als ik laat vallen dat de groep uit 4 vrouwen en 1 mannelijke gnoom bestaat, grijnst hij breed en mogen we het geld houden. Gratis varen met zoveel plezier als we maar willen. Lijkt mij een goed voorstel en ik ga er graag op in. “Voor de avond begint vertrekken we. Dus wees op tijd.” Meldt de kapitein. “We zijn er. En zo niet dan ligt dat niet aan mij.” Wuif ik terug. Mijn humeur wordt steeds beter. Wat zullen de anderen op kijken. Ik betrap mezelf er op dat ik zelfs glimlach naar een jochie in een gestreepte trui. “Goedemiddag ventje” zeg ik vriendelijk. Maar het kleintje gaat er als een speer vandoor. “Ha ha” Ik bulder het uit. Het wordt een mooie dag.

Als ik wat later mijn wapens weer opgehaald heb bij de smid en terug ben in de herberg besterft mijn goede humeur even snel als ik mijn metgezellen zie. Hoe durf ik onze groep te hoereren. Hoe kom ik erbij dat ze welwillend hun ongeschonden tempels aan die vieze vissers willen geven. Wat denk ik wel niet de groep met vleselijke lusten te laten betalen. Ik snap er niets van. Gratis vervoer. Gratis eten en drinken en nog een lang gemiste vrij partij op de koop toe. Wat kan er nu op tegen zijn. Ik stamel beduusd “Het waren helemaal geen vieze vissers.” Veel te zwak uitgedrukt natuurlijk en als de anderen maar blijven krijsen over mijn zieke geest - Alsof zij nog nooit iemand gekust hebben? Ik vraag het je? - Geef ik het maar op. Geen boottocht vandaag.

Seebo begint te verhalen over belangrijkere zaken, het hellezwaard. Hij is er wild enthousiast over. Oh, zoveel magie en zoveel verschillende bezweringen. het moet een fortuin waard zijn. “Je moet het dumpen. Het is gevaarlijk.” Zeg ik nog eens, terwijl ik uit het raam staar. En dan valt mijn oog op dat jochie, met zijn gestreepte truitje, Datzelfde mannetje als bij de haven staat hier beneden op straat te staren naar ons raam. En nu ik er nog eens over nadenk. Op de markt liep hij ook al en volgens mij zag ik hem buiten bij de smid ook! Dit is even iets teveel toeval.

”… Dus je begrijpt dat dat niet kan.” besluit Seebo zijn betoog over het on-zwaard. “Ja, ja best.” Zeg ik. Geen idee wat hij heeft gezegd maar dat zwaard moet maar even wachten. “We worden in de gaten gehouden.” meld ik, en doe mijn relaas over het schoffie. Een ieder hoort het verhaal aan en we besluiten niet op onderzoek te gaan naar wie het is, maar zo snel mogelijk dit stadje te verlaten. Voor je het weet doe je iets verkeerds tenslotte.

Bij karavaan plaats spreken we wat handelaren maar we hebben niet veel geluk. Slechts voor veel geld mogen we mee reizen met een karavaan. Te veel geld besluiten wij. Terwijl we staan te onderhandelen is onze kleine vriend naar Seebo gekomen en heeft hem een briefje overhandigd. Jammer dat ik dat niet zag, anders had ik 'm gegrepen. Helaas heeft Seebo hem laten lopen. Wat staat er dan in het briefje vragen we. Seebo, rolt het open leest voor: “Ik zie jullie 4 uur reizen naar het zuiden. getekend Kapt. Sté Crayé.” “Wat, wat doet hij hier zover van Kløv?” stamelt Seebo. “Kapitein?” zeg ik. “Hij was toch Luitenant?” Allemaal hebben we zo onze vragen bij deze nieuwe wending van het verhaal. Allemaal zijn we benieuwd wat de nieuwe Kapitein van ons wil. Aangezien er toch geen goed alternatief voor reizen is (de rest wil echt niet met de boot). Besluiten we lopend naar het zuiden te gaan. En ja hoor na 4 uur traag sjokken door het landschap zien we een tent staan. Verbazend denk ik nog. Hoe weet Crayé nu hoe hard we lopen, en of we wel lopen. 4 uren lopen van mij was veel sneller gegaan dan we nu in het tempo van Seebo gegaan zijn immers. Om nog maar te zwijgen over eventuele rijdieren.

Voor de tent staat een oude man gekromd over zijn glaive. Of hij op wacht staat of slaapt? het is mij niet helemaal duidelijk. Als we dichterbij komen en ik hem aanspreek, schrikt hij echter op dus het zal het tweede geweest zijn. Ik raap zijn glaive voor hem op en overhandig hem deze met de woorden dat we komen voor Kaptitein Sté Crayé. De duim van de man wijst naar achter, naar de tent. Als we daar naar toe stappen echter, gaat de flap al open en komt de meest knappe man naar buiten gestapt die ik ooit in mijn leven heb gezien. Ik ben op slag verliefd. Sterker, ik zou mijn leven geven voor deze man. Mijn ziel en zaligheid voor een uur alleen met hem. Ik merk dat ik daar overigens niet alleen in ben. Mijn 'vriendinnen' beginnen zich, voor ik er erg in heb, schaamteloos aan hem op te dringen. Ik verontschuldig hun gedrag aan mijn heer en vraag hem hoe we hem kunnen helpen. Sté Crayé. verzoekt ons te gaan zitten en het verheugd hem iets met ons te drinken. Met liefde schenk ik hem, mijzelf, en de anderen, een beker wijn vol en we praten wat over onze avonturen van de laatste weken. Hij laat mij weten hoe ik zijn favoriet van deze groep ben, die overigens ook zijn favoriete groep is. en vraagt mij of wij het masker hebben. “Ja.” Roepen we in koor. Allemaal willen we het graag aan hem geven maar helaas is Ann degene die het in bezit heeft. Voor ik het van haar kan overnemen om het op gepaste wijze aan mijn heer te geven ligt Ann al kruiperig van onderdanigheid aan de voeten van de kapitein met het masker. “Hier meester ik geef u het masker met al mijn liefde en geef mijzelf erg graag bij.” Gatverdamme alsof Hij daar in zou trappen. Ze ziet toch zelf ook wel dat hij alleen mij ziet staan. Dat ze geen enkele kans maakt. Om te spugen.

Heer Crayé neemt het masker aan en, om het niet te beschamend te maken, zie ik mijn Heer en zaligheid een kleine glimlach naar Ann maken. Daarna kijkt hij weer snel naar mij. Hij legt mij uit dat hij voor zijn favoriete meisjes (en de gnoom) nog een nieuwe klus heeft. We mogen voor hem naar het fort Haak in Grundle (het land van de dwergen) om daar een drietal objecten te halen. Te weten:

Alles natuurlijk in het grootste geheim. Ook de dwergen zelf mogen er niets van weten. Met volle overgave en vele dankzeggingen nemen we de nieuwe opdracht aan. Dan is het tijd voor wat meer gezelligheid en gaan we gezamenlijk de tent in.

3e t/m 7e Roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Zwijgen is goud.

De afgelopen dagen zijn bijzondere dagen geweest. Er heerst een pijnlijke maar gedoogde stilte tussen mij en Tharilith. Ik heb haar gezegd het zwaard achter te laten. “Het is een zwaard van het kwaad. Niets goeds zal er uit voort komen.” Maar zij blijft volharden in haar eigen gelijk; dat het aan mij gelegen moet hebben en dat de juiste bezitter er ook goed mee kan doen. Om de zaken erger te maken heeft Seebo ook een duit in het “Duivelse-dilemma” zakje gedaan. Alleen doet hij dat om meer duiten uit te halen. De gehele weg heeft hij me uit zitten horen over hoe het was om het zwaard vast te houden, wat het met mij deed, hoe ik me voelde en wat het met anderen deed. Ik hoopte hem te kunnen overtuigen. Dat we samen Tharilith konden overhalen afstand van het Demonische blad te doen. Helaas. Ook hij wil me niet helpen. En zo reizen we verder. In stilte, rouwend om de gevallen handelaren, rouwend om het gevoel van wantrouwen in de groep over wat er nu precies is gebeurd en hoe nu verder.

Als we op de 7e Roggemaand eindelijk Einselmeer bereiken is dat geen dag te laat. Nadat ons de regels van het stadje zijn uitgelegd door lokale militia aan de poort “Doe niets verkeerds”, spreken we af met Cahrlie en de zijnen om in de herberg te drinken op afwezige vrienden. Na een paar kruiken bier besluit ik er een vroege avond van te maken. Voor je het weet doe je tenslotte iets verkeerds.

2e Roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Wie is er weer haantje voorste?

Dan houden we plotseling halt. Geen idee waarom, geen idee waarom hier. maar blijkbaar moet hier kamp gemaakt worden. Charlie en Tharilith, gaan hout sprokkelen en lopen door het hoge gras weg. Nog voor dat wij met het oude hout een vuur aan het branden hebben komt Charlie, niet lang daarna gevolgd door Tharilith gillend terug, “Help, O goden nog aan toe, help dan toch. Er zijn kippen op de weg.” Natuurlijk begint iedereen te lachen. Wie is er nu bang voor kippen? “Maar het zijn hele grote.” verzekert Tharilith ons. 'Tuurlijk. Ik biedt aan wel even mee te lopen. En ook Ann die stiekem heel graag haar bezem wil testen loopt mee. Weg van de groep. Op de plek 'des onheil' is natuurlijk niets. Maar dat hadden we ook niet verwacht. Mooie gelegenheid voor Ann om haar bezem, weg van spiedende oogjes, te testen, Maar het lange gras zorgt ervoor dat ze struikelt en zich flink bezeert. Ik stel voor een pad vrij te hakken voor haar maar ze bezweert me dat dat echt niet nodig is. En verdraaid als het niet waar is, even later zweeft ze een halve dwerg hoog boven de grond. Niet veel later een elf hoog en nog even daarna een Storm Reus. Ze lacht hardop en is blij. Ik lach terug en wens haar veel plezier. “Kom op Tharilith wij gaan vast terug.” Van de kippen geen spoor. Dan hoor ik opeens Ann schreeuwen “Hundra, achter je!” ik bedenk me geen moment en haal met mijn blad uit in een meedraaiende beweging. Het snijdt door een, met veren bedekt, monsterlijk grote kip. De bek vol met tanden zo scherp als messen. Het dier schreeuwt het uit, maar heeft me toch flink te grazen genomen. Alsof dat niet genoeg is komt er van links en rechts nog een kip aan. Ook zijn scheuren met hun klauwen door mijn vlees en het gras en Tharilith spatten rood van mijn bloed.

Ann vliegt laag over en is weer weg. Ik vraag me nog even af waarom ze niets doet om te helpen maar dan zie ik twee van dieren (en Tharilith) vast zitten in het gras. Zou dat het werk van de heks zijn? dan wordt ik weer aangevallen door een kip. zijn vlijmscherpe tanden zinken diep in mijn schouder en zijn klauwen halen mijn dijen nog verder open. Ik voel hoe ik direct in een woede aanval zink. Ik til mijn zwaard op en maak en volledige draai om mijn as om zo de kop van beest te scheiden maar tot mijn grote ontsteltenis vliegt het blad van mijn zwaard van het heft af en verdwijnt ergens ver achter mij in het hoge gras. Vloekend. Tierend. Ziedend draai ik me om naar mijn vijand. Bereid om zijn strot door te bijten. Tot ik me herinner dat Tharilith nog een zwaard heeft. Zij staat nog steeds vast in het hoge gras wat steeds strakker rond haar tengere figuurtje lijkt te draaien. Zorg voor later, als ik dit overleef. ik word duizelig van het bloedverlies maar weet me naast haar te begeven en haar zwaard uit de schede te trekken. een grote donkere schaduw slaat zich als een warme deken om mij heen en mijn focuspunt richt zich meteen en zuiver op de strot van het monster voor Tharilith. Ik steek het zwaard met twee handen vasthoudend recht voor uit door hals. Een fontein van warm rood bloed spuit over mij en Tharilith. Ik schreeuw: “Sterf Hoer van Ra'El!”. Voel de kracht van het bloed door me heen stromen. Voel mezelf geheeld worden. Mijn spieren hechten zich weer in mijn gewonde lichaam. Mijn focus verschuift naar het tweede beest. één tel later liggen de warme, stinkende ingewanden over mij heen gedrapeerd. Als een derde beschermende huid. Ik schater het uit. Ben onoverwinnelijk. Weer het zalige zalvende gevoel van heling. Mijn besmeurde tempel wordt gereinigd, geheeld, gelauwerd. De woede brandt nu vol op in mij. Ik stort mij op de laatste van de drie. Een majestueuze zwaai van het blad en de kop tolt door de lucht. Het dier rent een paar nutteloze meters. Zijn dode lichaam verkwistend leeg spuiend over de grasvlakte. Maar ik ben nog niet klaar. Een vierde focus punt komt voor ogen: Tharilith! de ranke elven courtisane! Zij, die dit prachtige blad zo lang voor mij verstopt heeft. De slet die dit zwaard onrechtmatig voor me verborgen hield. Die verachtelijke boskut die deze schat van mij gestolen heeft. Vol walging hef ik het zwaard boven mij. Klaar om het door haar afzichtelijke, leugenachtige elvenkop te stoten. “Nee!” Dit zijn niet mijn gedachten. Ik moet mijn eigen wil terug krijgen. Mijn eigen wil… Mijn wil geschiede…

Maar ik moet toegeven. Kan niet stoppen. Ik ram het zwaard naar voren. Ram het hard. Hard en diep. De weerstand is groot maar voelt niet als bot. Als ik mijn ogen open zie ik dat het blad halverwege tot de pommel in de grond staat. Tussen de voeten van Tharilith. Ik kijk omhoog, door mijn tranen heen. Tharilith kijkt mij geschokt, vol ongeloof en afschuw aan. Ze is ongeschonden. Ik heb haar niet aangeraakt. De Vier goden zijn gedankt. Uitgeput stort ik in elkaar.

30e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: een vlucht ruigppotbuizerds?

Veel te vroeg (het is nog donker) vertrekken we met vier karren (drie vracht en en een huif) de poort uit naar de West. De route is werkelijk prachtig. Weidse uitzichten zonder enige teken van menselijke beschadiging aan de natuur. Ik krijg er haast heimwee van. Charlie verteld me dat het een gevaarlijke route is en als we na drie dagen nog steeds niet zijn opgegeten, vermoord, of overvallen begin ik te geloven dat hij wellicht wat overdreef. Maar hij houdt vol dat we echt geluk hebben. het meest spannende van deze dag blijkt een vlucht buizerds te zijn. We passeren ze op grote afstand.

27e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Zachte bedden, hard hout.

(vervolg.) Het dorp Fuduu is omgeven met een grote aarden wal. Een weg de vlakte op en aan de andere kant de rivier. voor een houthakkers gemeenschap neemt het achterlijk veel ruimte in. Als we in de middag door de opening in de wal lopen wordt duidelijk waarom. Tegen de binnenkant van de wal staan de huizen van de houthakkers gebouwd. het midden van het dorp is een grote betegelde kale vlakte. Wie verzint dit? Maar dat is gedachten karavaan die we beter niet kunnen nemen. We besluiten deze troosteloze aanblik te verlaten en de herberg in te duiken. Daar is het verrassend druk. Tenminste in vergelijking met de leegte buiten. Het lijkt wel of iedereen binnen zit. Het lijkt me een goed idee te kijken of we hier een transport kunnen vinden richting Klof. zou helemaal mooi zijn als dat betaald zou kunnen. Maar werken dat doen de anderen liever niet. Tja, dan maar betaald. Of gratis natuurlijk. Ik praat wat met handelaren en kapiteins maar niemand lijkt te willen reizen. Het is het seizoen voor hout nog niet. Dan raak ik in gesprek met ene Charlie. een onbehouwen stuk vreten Die ik in andere omstandigheden graag door de tafel had geslagen. Gelukkig weet ik me te beheersen want hij biedt ons uiteindelijk een tocht aan op een kleine karavaan naar een afgelegen meer dorpje dat op de route ligt. Beter dan lopen, zullen we maar zeggen. Ze vertrekken over drie dagen. In de dagen daar tussen laat hij me met liefde het al het harde hout zien.

27e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Frisse winden, natte vlaktes.

Geen idee hoeveel later, wordt ik wakker in een koud, maar vrij van gediertes bed. Verrassend.

Beneden ontmoet ik Victoria die zegt een gids te hebben ontmoet. Een vrouwelijke kender met de naam Tik'm. “Nou ja gids”. Zegt ze. “Eigenlijk een handelaar maar ze wil, in ruil voor bescherming, ons de weg wel wijzen over de Aïahrgaäuhwauhaugodvraukut-gletsjer naar beneden.” Goed idee vindt iedereen. Dus na weer een stevig, vet, en warm ontbijt, gaan we onder leiding van Tik'm door het hart van de gletsjer. Onder het ijs door! Een prachtige wereld maar ik zou er niet dood willen leggen. Gelukkig duurt de reis niet lang en binnen één dag zijn we op de groene vlaktes en een klein bos. In de verte ziet we een omwalde gemeenschap opdoemen. Een houthakkers dorp volgens Tik'm. In de rivier die het einde van de Aïahrgaäuhwauhaugodvraukut-gletsjer vormt liggen een aantal handels drakars. Vast voor al dat hout bedenk ik me.

26e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: De cairns, bakens van beschaving in een bevroren wereld.

Ondanks het vuur wat heerlijk brandt is het toch een koude nacht op de berg geweest. De ijzige wind waait overal doorheen. Weet elke kier te vinden en ook al zijn de bontjassen en dekens ontdooit, warm en dik. de wind lijkt er dwars door te waaien. Een groot geluk dat we deze cairn gevonden hebben. Buiten hadden we het niet overleefd. Nadat we een goed en warm ontbijt hebben gehad vertrekken we. Aarzelend en met tegenzin de de kou weer in. Hoewel het nu in de zon toch weer warmer lijkt gaat de tocht glibberig en moeizaam naar beneden. Tharilith weet ons te vertellen dat we op de Aïahrgaäuhwauhaugodvraukut-gletsjer lopen. Niet dat dat veel veranderd aan de situatie. Maar het is goed te weten waar je bent. en we moeten naar beneden. We gaan langzaam. Veel langzamer dan ik had gedacht. Ook veel sneller dan gedacht zien we het zonlicht wegebben. De temperatuur ebt (ook in mijn hart) even snel weg.

Dan, bij het laatste licht van de dag, zien we een volgende cairn en ontvlamd mijn hart weer even. Een laatste hachelijke duizend voeten en we staan voor de toren. Gelukkig beschutting. Niet alleen tot mijn stomme verbazing komt er licht uit de toren. De cairn is bewoont. Na wat overleg met de bewoners mogen we naar binnen en als de deur opengaat straalt de warmte van een groot vuur ons tegemoet. De cairn blijkt een echte herberg te zijn. Herberg 'De Laatste toren' Het laatste stukje beschaving voor een ieder die de passen door wil naar het westen. Het is er een armetierige zooi maar de vuren branden hoog. en het eten is er vet, en warm De waard belooft ons bovendien dat de bedden vrij van gediertes zijn, maar dat zeggen ze allemaal. Maar dar laat ik mij de pret niet door drukken. Vrolijk als ik ben laat ik met het eten, drinken en vertier welgevallen.

25e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Vlieg met me mee.

De volgende ochtend, als iedereen eindelijk wakker is en na een tranen trekkend lang ontbijt, “want nooit lopen en eten tegelijk” Duh! gaan we eindelijk richting de uitgang die Seebo vannacht gevonden heeft. Na de gang een tijd gevolgd te hebben komen we bij een deur, “hier moeten we door” piept de kleine magiër veelbelovend. Dus open ik de deur.

In de ruimte er achter is het donker. Compleet en zeer nadrukkelijk donker. Gelukkig is mijn zwaard nog steeds verlicht kan de groep redelijk veilig door de ruimte loodsen. Daardoor komen we in een enorm grote zaal, die lijkt op een omgekeerde trechter, met roosters als vloer met enorme wieken onder die roosters. De wieken draaien wat zorgt voor een fris windje. tegen de wand van de ruimte is een soort verhoging. een kleine stalen trap biedt toegang tot die verhoging en samen met Tharilith beklim ik de trap. Eenmaal boven zien we een groot paneel met knoppen, hendels, wijzers, bellen en mini lantaarns. Overal staan kleine tekst labels of tekentjes onder maar die kan ik niet lezen. Kettingen lopen van boven naar benden. Bij de vier goden. Waar dient het allemaal voor?

Een tekens lijkt op een bliksemschicht er staat nog iets onder “POWER” verzekert Tharilith mij. Langzaam begint het mij wat duizelen. wat een letters allemaal. Het enig wat ik mij kan bedenken is draaien aan een willekeurige knop. Niet denken maar doen. Dat lucht op. En dus draai ik aan een de eerste beste knop die ik zie. Links een witte stip. Rechts een witte cirkel. “KLAK” van stip naar cirkel. Een enorme lichtbundel valt door het plafond de ruimte in. Zo dat lucht op.

Het lijkt daglicht dat door de opening van de trechter naar binnen schijnt. Dus Schijnbaar hebben we een uitgang. Alleen een beetje hoog. Als ieder voor zich een beetje staat na te denken hoe we daar bij moeten komen heeft Victoria opeens een idee Ze wil alle touwen aan elkaar geknoopt hebben en het uiteinde aan de vloer, recht onder de uitgang. Dan doet ze een magisch trucje en gaat het touw uit zichzelf helemaal recht staan. Wow! dat is nog een magie. Ze vraagt me om omhoog klimmen om te zien of er inderdaad een uitgang is. Natuurlijk wil ik dat wel. Ik pak mijn touw klimmer en ga omhoog. Als ik zo'n 150 voet geklommen heb zie ik dat er nog heel erg veel tunnel over is na het touw. dat gaan we niet halen. en onderweg nergens een zijgang gezien. vette pech! Ik laat me weer zakken en deel het de anderen mee. teleurgesteld kijken ze naar de grond, of door in dit geval. Victoria gilt opeens “Vliegen! Natuurlijk!” en rent het trappetje op. Ik heb geen idee wat ze bedoeld maar ik ren er maar achteraan. Vliegen. We heten niet allemaal Ann. Victoria probeert het uit te leggen. “De wieken draaien nu langzaam op stationair” en ze wijst met haar vinger op een grote ronde knop met allerlei tekens eromheen. “Kijk hier staat 'Stationair' en hier '1', '2', '3' en zo door tot '10'. snap je? Dit rode wijzertje wat hier wiebelt bij 'Stationair' dat zijn de wieken nu. maar let op.” Ze legt haar hand op de knop zet het met een beweging naar recht op '1'. de lage brom-toon in de ruimte wordt iets hoger. en we zien de wieken iets harder gaan draaien. Blij dat haar conclusie hout snijdt draait Victoria de knop door naar '2'. “Zie wel” zegt ze. Dan hoor ik Seebo gillen en draai me om naar de vloer.

Seebo zweeft… Het malle wijf heeft gelijk. Het werkt! We kunnen er uit vliegen. Maar met zweven komen we er niet dus we moeten de knop verder draaien. Ik zet de knop op '3'. Weer gaan de wieken sneller en Seebo komt hoger. maar Seebo komt nog niet in de trechter. Dit schiet niet op. Ik draai de knop wel in een keer naar '10'. Juist. Nu vliegt Seebo de ruimte uit, de uitgang tegemoet. Zo moet dat. Als ik vermoedt dat Seebo door de uitgang is zet ik de knop terug op '1'. Grijzend kijk ik de anderen aan. Totdat er na een tiental seconden ijs op het rooster valt. IJs met bloed… “Oeps.” hoor ik mezelf zeggen. en krab schouderophalend op mijn hoofd.

Omdat Ann een genezer is moet zij de tweede zijn. Wie weet kan ze Seebo helpen. Ann neemt plaats, zij het niet van harte, en weer gaat de knop naar 10. Dit is leuk! Dan na een tweetal minuten horen we Ann van boven schreeuwen dat alles veilig is en de volgende kan komen. Zo stuur ik iedereen, achter elkaar naar boven. Het paneel begint te roken en ik zie vonken tussen de lantaarns naar boven schieten. een van de wijzers begint te smelten en dankzij wat blazen kan ik de eerste vlammen doven. Als Victoria laatste is geweest en ik alleen bij het paneel sta, volgen er ook wat knallen. Meer rook komt tussen de naden van de wijzers door. Ik bedenk me niet langer, spring over de reling en duik de luchtstroom in. Mijn kuiten slaan hard tegen de koker aan maar dan schiet ook ik door de buis naar boven het daglicht tegemoet.

Ik vlieg door de lucht en land in een natte, koude, witte kledder. Sneeuw, leer later. We zijn op een berg midden in de sneeuw. Het is snijdend koud en ieder slaat een deken om. Seebo is gelukkig niet ernstig bezeerd. en de rest is helemaal in orde. We besluiten dat we snel verder moeten (in de richting van het ruggengraat gebergte). We hebben bescherming tegen de kou nodig voor het donker wordt.

Tegen de avond, met misschien nog een uur daglicht te gaan, komen we aan bij een torentje. Onderdak. De ingang zit een goede dwerg lengte boven de grond. Het is dus even klimmen maar als ik eenmaal binnen ben kan ik de anderen makkelijk omhoog helpen.

In de toren zitten twee figuren, mensen blijkt even later. En bevroren. De zit gebogen over een boek, pen in de hand. De ander staat met een hellebaard in zijn handen naar buiten te staren door een schietsleuf. Zelfs het vuur hier binnen is bevroren. ik kan alleen maar denken “Draak?” blijkbaar hardop als ik de anderen verschrikt hoor omkijken. Er is een luik naar beneden en tot mijn blijde verrassing is de kelder gevuld met kisten voorraad. Dikke kleren, bont laarzen, eten, drinken, dekens, gereedschap, toortsen. Het kan niet op. Alles is wel stijf bevroren maar daar kunnen we wat aan doen. We besluiten hier kamp te maken. Boven staan een aantal bedden. Victoria zorgt voor vuur beneden en boven. Heerlijk warm bij het vuur ontdooien we de spullen en onszelf.

24e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Beter een goede buur...

(vervolg.)

“Maar …” Stamel ik. “Isuldur je was, … Ik dacht, … Ze zeiden dat je, … O goden gezegend, je leeft! Wat fijn!” Ik wil op hem afrennen en hem omhelzen maar dan dringt het tot me door wat Isuldur zegt. “Ja ,dat heb ik goed in scène gezet toch?” “Wat, Isuldur. Wat heb je in scène gezet, je eigen dood? Je reddingsactie? Onze gevangenschap? Alles? Waarom?” Isuldur begint te lachen en op het zelfde moment schiet de pijn van duizend vlammende naalden door me heen. Ik wordt terug geworpen, maar herstel mezelf. Ik trek mijn zwaard van mijn rug en storm op Isuldur af. “Verrader!” Mijn handen worden heet ik voel een brandende pijn in mijn handen blaren beginnen zich te vormen op mijn palmen terwijl Isuldur staat te glimlachen. Ik geef een gil en laat mijn zwaard los. “Goed zo meisje” prevelt de groene. Dan ontneemt hij mij, zonder mij aan te te raken, de adem. Ik voel min keel dicht geknepen worden. “Stop met je gewauwel achterlijk mens. Dacht je werkelijk dat jullie mij te slim af kunnen zijn? Stelletje dieven.”

Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat Ann en Seebo Isuldur proberen aan te vallen. Ondanks dat ze hem totaal niet weten te bezeren laat hij wel zijn greep op mij los en ik val snakkend naar adem voorover op de grond. Ik zie hoe Isuldur, met slechts een gebaar van zijn hand, Ann enkele meters achteruit gooit. Ik zie Seebo vruchteloze pogingen doen om Isuldur te stoppen. Ik zie hoe Isuldur Victoria, die ook opstaat, direct aan de grond vastnagelt. Mij drukt hij vast tegen een muur. “Laat het me zien” zegt hij tegen mij. Meteen weet ik wat hij bedoeld. Mijn visie, de lokatie van het masker. Ik probeer me te verzetten maar zijn wilskracht is veruit mijn meerdere en ondanks al mijn verzet voel ik hoe mijn hoofd, mijn blik, naar de sokkel met daarop het masker getrokken wordt. “Waarom” hijg ik, “Waarom?” roept Isuldur. “Waarom, zodat ik de goden weer kan uitdagen. De goden die alles van mij afgenomen hebben. Mij gebroken hebben, Mij blind gemaakt hebben. Alles waar ik om gaf. Iedereen waar ik van hield van me afgenomen hebben. En Waarom? Omdat ze bang waren van mijn macht. Maar nu zal ik wraak nemen. Nu heb ik het masker weer.” Een verschrikkelijke lach ontsnapt uit zijn mond. Dan rent hij met het masker in zijn handen weg. Ons, bevroren op ons plaatsen achterlatend.

Veel later, krijg ik het gevoel weer enigszins terug en laat langs de muur naar beneden zakken. De anderen beginnen zich ook te roeren. We kijken elkaar een beetje verloren aan. Deze hele tocht hier naar toe. Voor niets geweest. Zijn we zo makkelijk misleidt geweest? En nu dan? Moeten we nu heel Aurum over achter Isuldur aan jagen om te proberen van zo'n machtige tovenaar het masker terug te stelen? Waarom precies weet ik niet maar ik probeer of ik mijn visie nog steeds heb om Isuldur met het masker te lokaliseren. Tot mijn grote verbazing wordt mijn blik nog steeds naar de sokkel geleidt en ik zie daar in de ochtendzon het masker van Yeah prijken. Maar hoe? Zijn er dan twee? Ik pak het masker en laat het de anderen zien. Zou alles dan toch nog goed komen?

Er wordt in de groep druk overlegd over wat we nu moeten doen. Victoria stelt voor om het masker achter te laten. Ze stelt dat als Isuldur er achter komt dat hij het verkeerde masker heeft ons zeker weer komt opzoeken en we zijn geen partij voor hem. Ze heeft natuurlijk gelijk. Maar eerder snijdt ik mijn haren af dan dat ik zo'n schande over mij en mijn stam laat komen. We hebben het masker. Ik zal het niet levend achter laten. Even later zetten Seebo en Ann het masker op. Het bezit schijnbaar het vermogen om vragen te beantwoorden. Zo wordt er, met het hulp van het masker, een geheime gang ontdekt. We besluiten, met masker, te vertrekken door de geheime deur. Om het een eventuele terugkerende Isuldur niet te gemakkelijk te maken Sluit ik de deur als de laatste erdoor is. Het is pikkie donker maar gelukkig zijn er lampen mee en Ann wil met magie mijn zwaard verlichten. Wonderwel gaat dat nu wel eens goed. De anderen lopen vast door en ik neem de achter hoede. Als ik voor een laatste keer achterom kijk en het licht op de deur valt, zie ik een aantal vreemde tekens staan. Letters lijken het wel het woord “AIRLOCK” kleeft in mijn schedel. Geen idee wat dat betekent. Ik roep de anderen en vertel wat ik zag. Seebo wil ook wel eens zien dus houden we halt voor de nacht. terwijl hij terug loopt.

Ik maak het mezelf zo comfortabel mogelijk hier in deze smalle, koude, tochtige gang. Gelukkig helpen de gebeurtenissen van vandaag me zeer goed om als een blok in slaapt te vallen.

24e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Mooooooeder aller koeien!

Als ik weer wakker wordt, blijk ik drie dagen geslapen te hebben. Ik voel me best wel weer oke en dank iedereen voor de goede zorgen en Ann in het bijzonder voor de ontgiften van mijn lichaam. De anderen blijken ook niet stil gezeten te hebben want de gehele omgeving is onderzocht. Niets bijzonders gevonden overigens maar dus ook geen gevaar.

Ik scan de omgeving naar waar we naar toe moeten en het blijkt dat de groep, bij gebrek aan mijn aanwijzingen, totaal verkeerd is gelopen. We moeten terug. Bij de muur zijn 4 poorten. We nemen de tweede (dat verteld mijn visie). Achter de poort is het weer een warboel van gangen we gaan nu zuid en oost en als de visie het aangeeft noord of west.

Na een goed eind lopen komen we bij een groot half zittend hal liggend beeld. Net zo een als we buiten voor de eerste poort tegen kwamen, daar waar we afscheid van Isuldur, de Groene moesten nemen.

Ik klauter half op, half over het beeld heen en zie dat het gebroken is. De borstkas is opengespleten. Alsof het in gevecht met een ander groot beeld is geweest. Seebo komt naast me staan en ontdekt dat er een deurtje in de borstkas zit. Hij gaat eens even kijken… Als hij terug komt verteld hij dat er een klein kamertje achter de deur zit. met hendels en knoppen en touwen. Hmm, zouden de beelden dan door mensen bestuurd zijn. En wie zat er dan in dat beeld in het ravijn?

We lopen door en zien even verderop in de gang nog zo'n beeld liggen. Zijn benen ietwat teveel gescheiden van zijn romp. Ook liggen er vier skeletten bij. Het meest bijzondere daaraan is: een van de skeletten heeft de schedel van een koe.

Seebo ontdoet de doden van hun waardevolle spullen en zelf steek ik ook maar twee nieuwe dolken bij me. Zij zullen het hier niet meer nodig hebben.

We gaan verder en nog tweemaal komen we een zelfde soort tafereel tegen. Ook daar worden de skeletten van hun waardevolle spullen ontdaan door Seebo.

Even verderop zien we een enorm skelet tegen de wand zitten met opgetrokken knieën en een enorm slagblad over zijn benen. Het hoofd is het hoofd van de grootste koe ik nog niet gezien heb. (Maar dan al een tijdje dood.) “Wat heeft er hier toch een slag afgespeeld.” zeg ik tegen de rest terwijl ik langs loop. “En zie wat een enorme ring door zijn neus.” En dat had ik beter niet kunnen zeggen. Want nu wil Victoria de ring hebben. Ja, Seebo heeft ook van alles gepakt dan mag ik ook wel wat. En ja, dat is natuurlijk ook weer zo. We wachten even terwijl Victoria omhoogklimt en de ring van het skelet wil pakken. Maar o, nare verrassing. Het skelet grijp in een vloeiende beweging de pols van Victoria en komt overeind terwijl het hard knijpt in de arm van arme Victoria.

Ik bedenk mij niet en trek mijn zwaard, Net zoals Tharilith overigens en samen stromen we op de “Moeder aller koeien af” Maar hoe ik ook mijn best doe en wat ik ook probeer. Ik weet het gedrocht niet te raken. Ik mis, glijdt uit, raak het ongelukkig op een stuk harnas of het pareert mijn slagen. Geluk is wel dat het nu voornamelijk de aandacht op mij heeft en zo weten Tharilith en Victoria het monster toch te verzwakken. Ikzelf ontvang wel een paar pijnlijke rake klappen en voel mijn leven wegebben door de verse wonden. Ik kan niet meer ik moet rust ik strompel naar achteren naar Victoria die als een speelbal door het monster is weggegooid. Maar die wel al haar mentale krachten op de ondode losgelaten heeft. Zij en Tharilith weten uiteindelijk het wezen ten gronde te richten. Ik kan niet meer dan uitgeput naast Victoria op de grond zakken.

Zij, Victoria weet mij na de slag zo goed en kwaad als het gaat nog weer een beetje op te lappen. Ze vragen me of ik rust nodig maar dat weiger ik resoluut. “Zolang ik nog kan staan gaan we verder.” “Waarheen dan?” vragen ze “Er is geen verder.” En zowaar. De gang loopt even verderop dood. Dan moet er een geheime doorgang zijn. Ik zoek op de plek achter ze zitplaats van het skelet. Is daar iets wat anders is? Ja, een uitsparing een cirkel. Ongeveer net zo groot als de ring in de neus de Koe. Ik gebaar Victoria en vraag haar om haar net gewonnen prijs te overhandigen. Ik leg te voorzichtig in de uitsparing en ja, het past. Een flits en we zien hoe de ring versmelt met de stenen wand. Dan wordt het weer donker en horen we het geklik van open springende sloten en het geschraap van steen over steen. Als de geheime deur open draait, waait er even een koude muffe wind. We kijken elkaar even verbaasd aan. Want eerlijk gezegd hadden we dit natuurlijk niet echt verwacht.

Achter de, nieuw ontstane, kleine opening is het donker. Ik toets nog meer eens mijn visie en uiteraard moeten we hier door naar binnen. Ik vraag wie er een fakkel heeft en krijg de olie lamp van Victoria. Daarmee stap ik de nieuwe omgeving binnen.

De ruimte er achter is leeg, koud en donker. Slecht een spiraal trap naar beneden. Die nemen we dan ook. Beneden komen we in een lange, lange gang die we helemaal doorlopen tot we bij een grote dubbele deur komen. Ik duw ze open en we treden een grote open ruimte binnen. De ruimte is ingericht als een woonvertrek maat een bed, tafel, stoelen en een haard. Er zijn meerde sokkels waar ornamenten op prijken en in het plafond is een gat waar, als het nu geen nacht zou zijn, het daglicht door zou vallen. We vergapen ons even en op het moment dat we besluiten hier de nacht door te brengen horen we een bekend stem achter ons. “Dank vrienden dat jullie voor mijn de weg geopend hebben.” Het is de stem van Isuldur de Groene.

21e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Filigraan en schaduw. (En dansen in je blootje).

De volgende ochtend na het ontbijt vertrekken we weer in noordelijke richting. Na een ongeveer een uur komen we bij een hekwerk. Geen robuust hek van dikke spijlen, maar een mooi met zorg en liefde gesmeed hek. Dun gevlochten metaal. Sierlijk Elegant en compleet misplaatst in dit aarden labyrint.

Ik test nogmaals mijn visie welke kant we op moeten en de visie geeft aan door het hek. Dus ik open de deur. Dan flits er van alles aan magie om mij heen. Als ik weer kan zien zit het hek, de vloer en mijn arm onder een dikke laag slijm. Als ik de smurrie van arm heb geveegd en, toevallig omlaag kijk, zie ik dat Seebo mijn veters aan die van Victoria probeert te knopen en ik schud hem tot de orde. “Dit soort grapjes konden wel eens heel nadelige gevolgen hebben … voor jou.” En ik laat hem weer los. “kleuter” hoor ik Victoria nog zeggen. Zonder er verder woorden aan vuil te maken open ik het hek en stap ik naar binnen. Midden in de ruimte liggen drie stapels met stenen. Da's eigenlijk het enige bijzondere. Dat en nog twee uitgangen een die ook met zo'n mooi hek is afgeschermd. De ander een open gang.

Terwijl ik wacht tot de anderen komen hoor ik het geluid van schuivende stenen. Ik bedenk me geen moment en roep: “Cave in. snel hierheen voor de gang dicht valt”. Ann en Seebo komen direct maar Victoria en Tharilith zijn weer de bangeriken. “Kom maar snel naar ons” roept Victoria terug toe. Is ze dan echt zo stom om te begrijpen dat als de gang dicht ligt we niet meer bij het masker kunnen komen? Tijd om er op te reageren krijg ik echter niet en hoeft ook niet. De instorting blijkt helemaal geen instorting maar gewoon de drie stapels met stenen die zich verheffen tot boosaardige wachters van deze ruimte. Waar dat dan ook goed voor is. Ik trek mijn zwaard en vel met een slag de eerste stapel meer tot een roerloze stapel op de grond. Waar het hoort. Ik draai me naar de anderen en zie dat Ann en Seebo in een lastig parket zitten. de andere twee stapels hebben het op hen gemunt. en zonder mijn kracht kon dat wel een nadelig uitpakken.

Ann kiest de aanval en Seebo wil snel terug door het hek. Ik zie Seebo rennen en zie ook dat Victoria haar wraak op een ongunstig moment uitvoert. ze trekt het hekwerk dicht. Seebo klapt met volle vaart tegen het hek. Gelukkig zie ik dat Tharilith besluit het hek eruit te trappen.

Het been van Tharilith glijdt moeiteloos door het filigraan. Meer moeite heeft het met Seebo. Het hek geeft echter wel en Seebo vliegt weer een eind de ruimte in. Met haar been gevangen in het nu losgetrapte hekwerk moet ook Tharilith, al huppelend, glibberend moet de ruimte in. Waar zijn we hier mee bezig.

Ik besluit bij Ann te blijven en haar te steunen in het gevecht met de hopen steen. Even later doet Seebo ook weer mee en weet zowaar een steenhoop te raken. Tharilith trekt haar been terug uit het hek hobbelt heftig bloedend de ruimte in. Naast mij wordt Ann, aan de kant geslagen door klap van de steenhoop. Maar ook ik blijf niet ongeschonden. Wat erger is de reeds verslagen hopen rollen weer naar elkaar toe en staan weer op. Dit kon wel eens een lange vermoeiende ochtend worden. Ik schreeuw mijn ontsteltenis van mijn af en ga met dubbele energie er tegen aan.

Verholen in de veilige schaduwen besluit Victoria haar mentale spelletjes te spelen. En ik moet toegeven. Ik ben blij dat ik niet van steen ben. Vanuit mijn ooghoek ik ik haar staren naar de hoop stenen bij Ann. Van het een op het andere moment verstijft de hoop en stort ineen. Een tweede keer lukt het haar ook nog op de steen hoop die ik al eerder had geveld. Daarna is haar kracht blijkbaar op want meer doet ze niet. Maar toch, wat een ruwe kracht! We waren echter nog niet klaar en nu staat ze daar kwetsbaar voor de laatste hoop met stenen. Ik spring er wild tussen raak de hoop waarachtig met mijn blad. Het stort (voorlopig) ter aarde. Dat geeft ons even rust. “Kom op.” Zeg ik. “Snel hier door het tweede hek naar buiten.” Op het moment dat ik het hek aanraak om het open te doen stort ik, als door de bliksem getroffen, ter aarde.

Als ik wakker wordt zijn op een open vlakte. Even wan ik mij in de hemel, maar als ik het gezicht van Seebo zie bedenk me dat dat niet zo kan zijn. Ik ben vergiftigd zegt Ann. “Laar mij maar even.” Ann tekent een pentagram op de grond, pakt kaarsen uit haar rugzak en ontkleed zich. Ik hoor haar de anderen uitnodigen om aan het ritueel deel te nemen. maar die weigeren heel stellig. Ann zegt dat ze een heksengroep nodig heeft die om Hundra en het pentagram heen danst “Ik ben geen heks en zal het nooit worden ook” Roept Victoria. Wat een gekke droom, bedenk ik me en dan wordt het weer zwart.

20e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Groenjurk zal de draak verslaan

Veel later word ik wakker met gevoel van watten om me heen, ik zit in de dichte mist en kan me nauwelijks verroeren. Ik schrik lichtjes en probeer los te breken uit wat me vast houdt. Tevergeefs. Hoe hard ik het ook probeer ik zit vast. Vermoeit en met pijn in mijn spieren geef ik het op.

Hoeveel later het is weet ik niet maar opeens voel ik dat ik beweeg, ik hoor geluiden, ver weg, alsof door een deken, en niet veel later splijt de mist in het felle daglicht en kijk ik in de gezichten van Seebo, Victoria, Tharilith en Ann. Ann ligt naast me verpakt in dik spinrag en ziet er vies en kleverig uit. Als ik mezelf bekijk zie ik dat ik er net zo uit zie. Yuk!

Er is ook nog een onbekende oude man in een groene jurk. Hij stelt zich voor als Isildur, de Groene. “Past goed bij zijn jurk” denk ik meteen. We worden door de anderen op de hoogte gesteld van wat er allemaal heeft plaats gevonden en dat we door spinnen gevangen zijn genomen en dat Isildur ons weer bevrijd heeft en dat het een hier een gebouw is onder de niet afgemaakte brug.

Als Isildur vraagt naar onze queeste vertel ik hem dat we het ravijn in moeten voor onze opdracht. De tocht zal gevaarlijk zijn maar ik ben er van overtuigd dat een aantal van ons de afdaling wel zal overleven. Isildur denkt te weten hoe we allemaal veilig beneden kunnen komen. Ik kijk hem verbaasd, maar met een lichte zweem van hoop aan. Het werkt. Hij is meer dan bereidt ons zijn idee te laten zien. We lopen een eind langs het ravijn (en het bos aan de andere hand) tot we bij een perk van planten komen die Isildur aanduidt als ballonplanten. Het idee is dat we met lianen een mandje vlechten en dat we met behulp van een aantal van die ballonplanten naar de bodem van het ravijn zweven. Alles overpeinzend geen slecht idee, besluit ik. Alleen dat mandje. Beetje onzinnig. Ik besluit een aantal van de ballonnen samen te binden en maak een lus onderin waar mijn voet inpast. Zo da's een stuk sneller. Ik neem een aanloop en spring over de rand. Een gevoel van spanning en vreugde maakt deel van mij. Ik voel me vrij en geniet van de wind in mijn gezicht. Boven mijn zie ik de anderen ook over de rand komen. Het is een prachtig gezicht al die ballonnen. Soms vallen een tiental meters omlaag en schiet je maag omhoog. Ik lach luidkeels en geniet! Veel te snel landen we (veilig en wel) op de bodem van het ravijn Jammer dat we niet nog een keer kunnen. Als de groep, inclusief Isildur, zich heeft verzameld gaan verder in de richting van het masker.

De bodem van het ravijn is dichtbegroeid met varens. Terwijl ik ons daar een weg door baan, passeren we een enorm beeld van een krijger in rust dat, oh verrassing, in beweging komt als we het voorbij zijn. Ik bedenk me geen moment. “Rennen” gil ik en sprint weg. Achter me hoor ik kreten, gegil en het geluid van vallende rotsen. Als het geluid van de vallende rotsen is opgehouden houd ik halt op adem te komen Victoria staat direct naast me en als we ons omdraaien zien we ook Seebo en de anderen aankomen. “Waar is Isildur?” vraagt Victoria. Seebo verteld ons dat Isildur de Groene onze tegenstander heeft verslagen ten koste van zijn eigen leven. Terwijl de rest verder gaat neem ik een moment om afscheid te nemen van deze dappere krijger.

Opeens hoor ik Seebo roepen. “Hundra, alsjeblieft help dan toch.” Ik sta op en ren achter de anderen aan. Als ik naast Seebo sta zie ik een meter of 50 verderop een grote muur. Een afgebrokkelde boog duidt er op dat er ooit een poort in gezeten heeft Maar nu zal het gapende gat niets meer tegenhouden. Van welke kant dan ook. Aan weerszijden staat een boom. Een kale vlakte scheidt ons van de muur. Op de vlakte zie ik Victoria. Het lijkt alsof houten vingers uit de aarde geschoten zijn en haar hebben vastgegrepen aanranden. Het wordt me direct duidelijk dat het de boomwortels van de beide bomen zijn die deze dorre dode vlakte gemaakt hebben en het ook Victoria niet zullen gunnen hier levend de akker te verlaten als ik niet ingrijp. Ik bedenk me geen moment en spring, zwaard in de handen, naar Victoria toe. Ook ik wordt gegrepen dor de wortel. Mijn kracht is echter geen vergelijk en maaiend met mijn zwaard loop/ren ik vooruit. Uiteindelijk bereik ik Victoria bij de stam van de boom. Ik roep naar Victoria dat ik boven in mijn zwaard in de kruin van de boom wil laten zinken. Ze begrijpt wat ik wil en slaat haar mes vast in de stam van de boom. “Die kan als opstapje dienen” roept ze me toe. Met een sprong sta ik ze op het blad van het mes en met een tweede op de boom. Met al mijn kracht duw ik het blad van mijn zwaard diep in de boom. We zien de wortels terugtrekken en de takken slap gaan hangen. Ik grijns naar Victoria. Dat was goed teamwerk!

Als het wat rustiger is, komen Seebo, Tharilith en Ann ons vergezellen. Ik kijk de groep rond en zeg “op 3 gaan we. 1… 2… 3” en zet het op een lopen. Victoria en Tharilith zien de voordelen van een snelle sprint ook in en rennen mee. Even later houden we halt onder een tweede boog. Gelukkig komen Seebo en Ann niet veel later ook. We lijken in een soort doolhof beland te zijn. Mijn visie geeft nog steeds aan dat we op goede weg zitten en dat we naar noorden moeten blijven gaan. Zover dat lukt, doen we dat ook, nu en dan west soms weer oost, maar meestal naar de noord. Totdat we in een kamer komen. Een kamer waar veel lianen hangen. Op de vloer zien we botten en gebroken wapens. Geen goed teken. Ik maan de anderen te wachten ga samen met Tharilith naar binnen.

Geen grote verrassing dat we worden gegrepen door lianen. Wel grote verrassing dat ze me mijn zwaard met zoveel kracht omklemmen ik het niet meer los krijg. vanuit de gang besluiten Seebo en Ann besluiten een flesje olie de kamer in te gooien en te laten ontbranden. De uitwerking van deze actie is perfect. De lianen trekken zich terug. De hoeveelheid oud slachtoffers in deze kamer lijkt een waar slagveld. Overal lijken, helmen, harnassen en wapens. We doorzoeken de spullen en ik maak een aantal speerpunten buit. Later nog een paar staken er aan en ik ben weer compleet. We lopen nog een eind verder en als we op een veilige plek zijn maken we kamp. Tijd voor eten en rust.

19e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Een tovenaar heeft een knop op zijn staf.

De volgende ochtend als iedereen een beetje opgelapt is, wat hete thee gehad heeft en wat elvenbrood gaan we weer op pad. Het moeilijk bewegen door het dichte woud en veel zonlicht bereikt ons hier op de grond niet. Als we de dag een goed eind in zijn lopen we tegen een oud vervallen stenen altaar aan. Het lijk verdacht veel op het altaar wat we gisterochtend zagen. Het is totaal overgroeid en ligt in twee delen. Was het dan toch 12.000 jaar geleden dat we eerder zagen? Iedereen slaat opeens aan het zoeken. Waarom is mij niet helemaal duidelijk maar opeens vindt Ann vindt de steen die op de staf van zat (die op het altaar lag),”Lag onder een dikke laag troep.” Zegt ze en steekt de steen bij zich. “Wel gek dat een 'detect magic' niet werkte.” Victoria roept opeens dat het hier niet veilig is dat we weg moeten, Terwijl we staan te bedenken waar naar toe strijkt er een beest dat het midden houdt tussen een hommel en een gier neer in een boom boven ons. En nog één, en nog één. Totdat er wel meer dan tien zijn. Dan zetten de beesten de aanval in. Het is een slachting. En niet alleen aan hun kant. Maar toch weten we de aanval af te slaan Slechts een handvol van de dieren behouden hun leven en vlucht van ons weg. Het zou fijn zijn al we niet elke dag werden aangevallen. Wat is er toch aan de hand met de wereld? Of zouden deze beesten ook weer losgelaten zijn? Net zoals de honden?

We besluiten verder te gaan. Vanaf het altaar naar de bos rand. Daar moet de heuvel zijn vanaf waar de zeven heuvelen te zien moeten zijn. Maar als we bijna bij de bosrand zijn kan ik ternauwernood voorkomen dat ik in een diepe, diepe afgrond val. Het is een raadsel wat hier de laatste 12.000 jaar gebeurd is. Een groot ravijn doorkruist ons pad. Een vluchtige blik leert dat, hoewel de bodem te zien is, het te diep is voor een simpele afdaling. Rechts loopt het onophoudelijk door maar aan de linkerkant ontwaren we iets van een brug. Daar maar naar toe.

Als we bij brug zijn zien we dat er van twee kanten met de brug begonnen is te bouwen maar dat niemand op het idee gekomen is de twee uiteinden te verbinden. Een groot gapend gat midden in de brug. Het is duidelijk dat dit niet verwoest is. Daarvoor zijn de randen van de twee helften te netjes. Nee, het is nooit afgemaakt. Waarom? De begroeiing op de brug laat wel zien dat het een oude onafgemaakte brug is. Hmm, hoe komen we nu aan de overkant? Moeten we wel naar de overkant? Ann besluit naar het eind te lopen ze pakt wat zand op en begint iets onverstaanbaars te prevelen. Vast een spreuk. Ze gooit het zand in de lucht over het gat. Dan draait ze zich om en meldt ons dat het in elk geval ook geen onzichtbare brug is. Nou dan is dat ook weer duidelijk. Goed gedaan Ann.

Ik besluit nog eens een visioen op te roepen. Ik draai langzaam rond om te zien waar we naar toe moeten. Nergens. Dat is vreemd. Ik kijk voorzichtig het ravijn in. Bingo! Daar onderin het ravijn daar moeten we naar toe. Maar hoe komen we daar. Terwijl we ons dat afvragend over de reling van de brug hangen zien we opeens hoge ramen in wand van het ravijn. Dat betekent een gebouw. Een gebouw in de rotswand. Dat betekent dat er een ingang moet zijn. Een trap? Een deur? Een luik? Snel gaan we aan het zoeken en het duurt niet lang voor we een hele grote stenen plaat vinden in de vorm van een deur. Hij ligt plat op de groen en behoorlijk gehavend met krassen. Ze schijnen mij nogal onnatuurlijk. De anderen beamen dit en wijzen mij er op dat her runen in een oude taal zijn. “Oh, Ja dat verklaart het dan wel” Afijn niemand kan het lezen dus dat maakt het ook niet makkelijker. Hoewel niemand. Ann blijft heel lang staren naar de runen en mompelt iets van groen terwijl ze blaadjes in de lucht blijft gooien. De Gnoom heeft iets van cijfers gevonden zegt hij. Daar gaat hij mee bezig. Ik ga thee zetten met Victoria en Tharilith. Als het klaar is komt Ann er ook bij zitten. Het groen laat haar niet los. De gnoom blijft bezig met zijn cijfers.

Dit duurt dus nog wel even. Victoria vraagt of ik mee ga hout zoeken. “Da's goed.” Zeg ik maar neem ook mijn boog mee. In het bos vertelt Victoria mij van haar plan om voor Ann een bezem te maken. Die wil ze zo graag. Dat is inderdaad een goed idee en dus gaan we aan het zoeken naar twijgen voor een bezem. Onderweg weet ik ook nog twee konijnen te vangen en een vind 4 eieren in een nest. Als we terug komen heeft Ann het voor elkaar gekregen om de stenen deur open te krijgen.

Dat is natuurlijk goed nieuws. Achter de deur zit een helling die verder de grond in leidt. We besluiten dat het nu beter is om eerst hier boven kamp te maken en morgen de grond in te gaan.

Ann maakt een heerlijke erwtensoep voor iedereen en is door het dolle heen als ze van ons de bezem ontvangt. Veel later, nadat ik mijn wacht al heb gedraaid, wekt Seebo mij. Hij heeft ontdekt dat de brug nu heel is en heeft iets aan de andere kant gehoord. Of ik wil gaan kijken. Zucht, wetende dat ik toch geen rust zal krijgen als ik niet ga besluit ik met stevige pas naar de overkant te lopen. De overkant zal ik echter niet bereiken. Met een gil val ik in de diepte…

18e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp: Iedereen klaar? Wegwezen maar.

We worden terug gebracht naar onze kamer, daar staat weer heerlijk eten en drinken. Ik moet helaas vaststellen dat ze dit keer de mede vergeten zijn. Wel liggen er liggen wel pakketten met rantsoenen. We bekijken alles eens goed en praten nog wat over het avontuur. Na een tijdje komt er een elf binnen. Ze vraag of ze de opdracht voldaan hebben, zoals beschreven door de commandant Sté Crayé. Ik twijfel als ik antwoord dat ik denk dat dit wel het geval is. Dat maakt de elf niet veel uit. deze verlaat opgelucht de kamer. “En nu?”

We hebben eigenlijk geen idee. Uiteindelijk besluiten we dus maar alles bijeen te rapen en de stad te verlaten. Opzoek naar de zeven heuvelen.

We zitten nog niet lang op onze rijdieren als ik een verschrikkelijke stekende hoofdpijn krijg. Veelkleurige beelden flitsen door mijn hoofd om het silhouet van de zeven heuvelen over mijn eigen gezichtveld te leggen. Handig om de weg te weten maar het blijft kamer dat je niemand kunt terug slaan als je pijn hebt. We moeten naar het oosten, de Errions in. Dat lijkt gezellig maar blijkt een zeer dicht begroeid bos te zijn. Onze rijdieren moeten we al snel achter laten en tegen het vallen van de avond moeten besluiten kamp te maken in het bos. Samen met Victoria ga ik hout sprokkelen in het bos. We zijn nog niet ver weg als Victoria begint te krijsen. Een lelijk soort pad valt haar aan maar, en dat moet gezegd, Victoria weet het zeer behendig van haar af te gooien. Helaas wel recht in mijn gezicht. Met twee handen grijp ik het wezen beet en knijp er met alle macht in terwijl ik het van me af trek. De lelijkerd blijkt taaier dan ik dacht en bijt venijnig van zich af. Maar ik weet het wel van me af te werpen. Daarop vliegt het direct weer naar Victoria en nestelt

hundra.txt · Laatst gewijzigd: 2013/07/31 00:04 door epg