Jean-Claud de Bruèl is de chaotic-good Fighter/ranger uit de party De Huizen van Sum. Hij is de 13e zoon van heer de Bruèl. Na zijn 12 oudere broers en vader (één broer is al overleden) is hij de 14e in lijn voor opvolging van huis de Bruèl en daarmee 14e heer Colln Verdoy Ouest. Met zoveel broers is kans op erving van zijn vaders titel en land zeer klein. Jean-Claude is daarom op uitgetrokken om op eigen kracht het ridderschap te bereiken en te proberen om zijn eigen plek (lees: titel & land) in de wereld te vinden.
De Party wordt geleid door Simon. Hij gaat samen Ludwig von Hovd (Bjorn), Rafael Rocheford, (Chiquita) en Ibrahim El Amrani (Bart) op reis gaat om het ridderschap te aanvaarden. Tijdens hun avonturen voegt Nihayat Al Gharb El Amrani (Jasper) zich toe aan het gezelschap.
Na het gevecht met de huurmoordenaars, verzorgt Rochfort mijn wonden. Vervolgens sleep ik de lijken naar een hoek van de kamer en smijt er een deken overheen. Daarna laat ik mij weer op mijn bed vallen en slaap vrijwel direct in.
Nauwelijks in slaap, wordt ik gewekt door een onbekende man. Hij stelt zich voor als Démann, maar we mogen hem Rashid noemen. Hij claimt dat hij gestuurd is door heer Amrani, en dat wij hier niet veilig zijn. (No shit.) Hij zal ons naar een veilige plek brengen. Er loopt ook nog een vrouw mee met Rashid, maar die stelt zich niet voor. Het zal wel een helper van Rashid zijn.
Tante wordt ook gewekt (wel wat vreemd dat Rashid zomaar de kamer op mag van Tante, zonder dat Tante daar een probleem mee heeft. Zou ze Rashid kennen?)
Met de overmoed van drank spring ik met een fraaie salto door het dakraampje, om vervolgens te ontdekken dat het geen plat dak is…met veel moeite weet ik mezelf af te remmen door de nodige dakpannen uit de sponninngen te drukkken. Tot zo ver onze stille aftocht. We zetten het op een rennen.
De tocht door de stad verloopt zeer snel. Spoedig staan we voor een pakhuis dat er slecht onderhouden uitziet. Rashid zegt dat dit onze bestemming is. Dus ik klop aan. Geen reactie.
Ik wacht een minuutje, en klop weer aan. Geen reactie.
Ik klop nu wat harder aan. Geen reactie.
Nu begin ik het wat zat te worden. Ik heb nauwelijks geslapen, zit onder de opgedroogde kots, dus na een klein minuutje bons ik weer harder op de deur. Dan doet onze grote vriend Yusef het luikje open. Ik zeg dat wij (ridder Rochfort, ridder von Hovd, mijzelf) hier zijn gebracht door Rashid voor onderdak. Yusef blijft maar ongelovige vragen stellen, en laat ons niet binnen.
Dan doet Rashid de deur voor ons open en verwelkomt ons. (Hoe is die eigenlijk binnengekomen??) Ik dank Rashid voor de gastvrijheid en geërgert gooi ik er nog een sneer uit richting Yusef dat het geen stijl is om ons zolang buiten in de nacht te laten wachten.
We krijgen allemaal een kamer toegewezen door de huismeester Ali. Eindelijk slapen.
Het is al tegen de middag als ik heerlijk uitgerust wakker wordt. Ik ontdek dat mijn kleding allemaal verdwenen is. In een nachtpon zwerf ik door het huis op zoek naar kleding. Ik zie wat verderop een deur open staan. Het ziet er uit als een studeerkamer/bibliotheek. Al mist het de boeken. Op dat moment zie ik wat duistere figuren door de tuin lopen, en er landt een (enter) haak op de balkonbalustrade. Inbrekers. Ik bedenk me geen moment, pak een krukje en een zware kandelaar. Ik loop naar het balkon, en wacht tot de inbreker net met zijn handen/hoofd boven de rand van de balustrade komt. En ram 'm subiet naar beneden. Voordat de rest van de schrik is bekomen, trek ik snel het touw op wat aan de enterhaak zit. Zo, nu komen ze niet meer binnen. Ik zie de inbrekers afdruipen.
Nu is het tijd voor wat eten en kleding. Beneden kom ik Rashid tegen, en hij regelt kleding voor mij. Dan nodigt hij mij, Rochfort en von Hovd uit om de stad in te gaan om wat inkopen te doen. Zo gezegd zo gedaan. Rashid is zeer vrijgevig, en steekt ons allen in nieuwe kleding. Aan het eind van de middag zitten wij op een terrasje wat te drinken. In de verte zien wij dat de wacht van de oostpoort maar gedeeltelijk wordt vervangen.
Rashid nodigt ons uit om een hapje te gaan eten, en Yusef komt er ook bij. In dit restaurant is een grote tafel netjes gedekt, waaraan na een korte tijd een groep notabelen komt te eten. Opvallend is dat naast de hoofdgast een jonge vrouw zit. Misschien minnares? Ook staat er achter de hoofdgast een generaal (of andere hoge leger officier) die er zeer ongelukkig uitziet. Misschien familie van de minnares? of misschien wel de minnaar van de minnares? Al met al een bijzonder gezelschap.
Rashid heeft nog wat strategische mindgames over hoe afzonderlijke leden van dit gezelschap uitgeschakeld kunnen worden. In mijn ogen is uitschakelen alleen knock-out slaan, of gevangen nemen. Al blijkt dat Yusef uitschakelen ziet als vermoorden. Niet mijn stijl: dat doe je alleen als mensen jou naar het leven staan.
Na het eten lopen we richting de oostpoort. Eigenlijk zonder waarschuwing schakelt Rashid de wachter buiten de poort uit. Hij klopt op de poort en doet zich voor als bezorgd burger dat er een wachter neer is. De wachters snellen naar buiten om vervolgens door ons buiten gevecht gesteld te worden. Natuurlijk doe ik dat alleen door een klap in de nek, maar tot mijn verbazing probeert Yusef de keel van de wachter door te snijden. Onnodig geweld in mijn ogen. Gelukkig faalt hij jammerlijk, dus geef ik de wachter een klap op het achterhoofd en is hij ook uitgeschakeld.
We dringen het kasteel binnen. Wanneer we op de binnenplaats komen, staat er een wagen waarin al onze wapens en wapenrusting ligt verborgen. Snel trekken wij onze spullen aan. Het ziet er naar uit dat Rashid ons naar de moeder van Amrani gaat leiden. Al blijft hij vaag in zijn doel van deze actie.
De volgende ochtend ziet iemand een toren staan en de heren ridders lijkt het een lumineus idee om die dan maar eens van dichtbij te gaan kijken.
Na wat omtrekkende beweging komen we bij de ingang van de toren aan. De ingang ligt wat hoger en Yousef loopt wat te klooien om erin te komen. Ik ben het zat en geef hem een voetje en smijt hem de toren in. Dan gooi ik hem een het eind van een touw toe, zodat de rest makkelijk via dit touw naar binnen kan klimmen.
De toren is nogal een bouwval, maar er zit wel een gat in de vloer. In de kelder zit een groot onderaards water reservoir. Iemand spot een paar bootjes. Mijn touw wordt gebruikt om de bootjes naar ons toe te trekken: de heren ridders lijkt het namelijk een goed idee om een eindje te gaan varen. Al zie ik hier totaal het nut niet van in.
Na wat geklooi zit het gezelschap in 2 bootjes en varen we langzaam door de grot. In de verte horen we een geruis dat sterk lijkt op een waterval. Dat lijkt mij geen goede bestemming, dus ik probeer om te keren. Helaas is de stroming hier al te sterk en gaan we recht op de waterval af. Net toen ik dacht dat dit mijn laatste boottochtje was, varen we recht over de waterval over een soort waterbrug.
We komen aan in een grote grot met in het midden een klein eilandje. Hier leggen we aan. Het is een wat vreemd eiland met een grote stapel botten. In het midden van het eiland gaat een wenteltrap omhoog, maar de stapel botten belet ons om de trap te bereiken. Verder zit er een wat vreemd, meer dood dan levend uitziend schepsel op een wat aftandse troon. Dit schepsel roept Amrani aan, maar die negeert. Ik negeer 'm ook en probeer met een aanloop de berg beenderen te beklimmen. De eerst poging mislukt, dus nog een keer. Dit lukt ook niet. Kennelijk is dit niet de weg.
Na wat gedraal besluit Amrani toch maar het schepsel aan te spreken. Het schepsel beweert dat familie Amrani een afspraak met hem/haar/het heeft. Amrani stemt uiteindelijk in met deze afspraak, en de berg beenderen wijkt en wij kunnen bij de trap. Iets zegt mij dat Amrani zijn ziel heeft verkocht…al vraag ik me af waarvoor…en ook vraag ik me af of hij het zelf weet waarvoor….
Niemand durft deze vraag aan Amrani te stellen en we gaan allemaal snel de trap op. We komen door een gang met een lichtpunt aan het eind. Na een tijd gelopen te hebben bereiken we het einde van de grot en zien we een grote woestijnstad voor ons liggen. Op duistere wijze hebben wij in korte tijd een grote afstand afgelegd en zijn we bij de hoofdstad van Amrani's land aangekomen.
Onze vermommingen worden gecheckt: iedereen gaat als een toerist de stad in. Zo opvallend, dat het niemand opvalt is kennelijk het plan. Slecht plan lijkt mij, maar toch komen we vrij gemakkelijk de stad in. We besluiten ergens een taverne binnen te gaan voor een hapje en een drankje.
We krijgen wat te roken aangeboden. Het is niet echt mijn smaak, en met name Ludwig heeft er een probleem mee. Er worden de nodige nieuwe smaken aangeleverd en wij roken lustig verder. Dan roept er een lokale boer iets naar Ludwig en geeft hem een por. Maar Ludwig laat zich niet verleiden tot een gevecht en weet de gemoederen snel te bedaren.
Dan vragen wij de waard of hij ook iets te 'drinken' heeft…iets met alcohol dus. Na wat aandringen komt hij met een stel kleine glaasjes aanzetten. We slaan deze in één teug achterover: dat smaakt best goed. Dus de waard mag wel de fles laten staan. Ik laat mij het spul goed smaken, en ik proost er lustig op los met Ludwig.
Plots wordt ik wakker in mijn bed door geschreeuw van Ludwig. Mijn hoofd voelt er zwaar aan…eigenlijk net als alle andere ledematen. Maar ik zie een duister gestalte mijn kant op komen met iets van een wapen in de hand. Ik bedenk me geen seconde, rol van mijn bed, trek mijn zwaard en haal vol uit. Ondanks mijn zwaar aanvoelend lijf weet ik mijn belager goed te raken. Na enkele schemutselingen weet ik mijn belager uit te schakelen. Eigenlijk gaat dat dronken vechten mij nog best goed af.
Dat kan ik niet van Ludwig zeggen: hij is nog steeds bezig met zijn belager. Hij heeft kennelijk de grootste moeite om zijn tegenstander te raken, want ik hoor zijn belager schateren van het lachen. In mijn ooghoek zie ik dat zijn belager ondertussen zijn leren vest heeft opgemaakt en Ludwig uitdaagt om hem te raken. Ondertussen komt Ludwigs' belager bijna niet bij van het lachen.
Hoewel ik het ook zeer amusant vind, moet het nu toch maar eens afgelopen zijn. Net als ik mij omdraai om Ludwig te helpen, wordt ik in de rug aangevallen. Nog een belager. Ik haal vol uit. Maar ondertussen ben ik toch enkele keren geraakt en ik was ook nog niet hersteld van de klappen die ik van de Troll had gekregen: ik voel me niet best meer. Dus bij de volgende aanval van mijn belager probeer ik weg te duiken…helaas met wat minder success. Ik weet niet waar ik in beland ben, maar het voelt als kots en het ruikt als kots.
Het is tijd om de reis naar de hoofdstad aan te vangen. Er wordt nogal moeilijk gedaan over mijn schild: daar staat mijn familie wapen op, en dat valt te veel op. Ik heb absoluut geen zin om hier afstand van te doen: het is een geschenk van mijn vader. De monniken weten mij te verzekeren dat zij goed op mijn schild zullen passen, en dat ik deze later hier weer op kan halen. Ik verzeker hun dat ik absoluut terug kom voor dit schild. Ondertussen biedt Yousef zijn schild aan. Een waardeloos ding, maar ik ben netjes opgevoed, dus ik aanvaard zijn gift.
Na een dag rijden komen we in een oase aan waar we kamp maken. Ik heb 2e wacht. Tijdens mijn wacht gebeurt er wat vreemds: ik zie dat Ludwig weggesleept wordt, maar ik zie niet door wat. Ik sluip dichterbij, maar zie nog steeds geen belager. Het is wel duidelijk waar Ludwig wordt vastgehouden, dus ik besluit blind te slaan op hetgeen hem vast heeft. Ik voel dat mijn zwaard iets raakt. Maar ik zie nog steeds niet wat. Ondertussen heb ik alarm geslagen en is de rest ook wakker geworden. Ludwig sprint er direct vandoor. Een wat vreemde reactie. Ondanks dat ik onze belager niet kan zien weet ik toch vrij goed in te schatten waar die zich bevind en weet het nog enkele malen te raken. Met nog wat hulp van de anderen weet ik het monster te verslaan.
Na wat zoekwerk weet Amrani een ring van de vingen van de belager af te halen, en plots is het monster zichtbaar. Het is een groot gedaante, wat ik nog nooit eerder heb gezien. Amrani weet ons te vertellen dat dit een Troll is, en dat Trollen kunnen verrijzen uit de dood. Het enige dat dit kan voorkomen is het monster verbranden (of in zuur drenken, maar we hebben geen zuur bij ons). Dus het monster wordt verbrand. Dan pakken we nog een paar uur slaap.
Na alle festiviteiten van gisteren is het vandaag tijd om het belegeringsleger te verslaan.
Een ieder mag een greep doen uit de wapenrusting kamer en krijgt een rijdier naar keuze toegewezen. Ik neem een malien shirt om goed beweegbaar te kunnen zijn op mijn zware strijdros.
Ik ga mee met Ludwig op de rechterflank. Ik doe mijn uiterste best om te laten zien wat ik waard ben op het slagveld en ik vel menig vijandig soldaat. We dringen de tegenstander steeds verder terug.
Dan ziet Ludwig de vijandelijke generaal aanstalte maken om te vertrekken en schreeuwt dat hij ten kost van alles niet mag vertrekken. Ik bedenk me geen moment en geef mijn paard de sporen. Ik schiet door de linies heen. Onderwijl deel ik links en rechts raken klappen uit en maak ik de weg vrij voor de anderen. Ik merk wel dat ik geraakt wordt, maar ik geef geen krimp.
Ik snel vooruit recht op de generaal af en weet hem met het momentum van mijn charge goed te raken. Ik blijf mijn paard op snelheid houden, draai weer om en chargeer opnieuw. En nog een keer. Ondertussen is Ludwig ook met de generaal in gevecht. Na mijn 3e charge zie ik de generaal wankelen. Ik hou mijn paard wat in om Ludwig de kans te geven om een keuze te maken tussen de generaal doden of gevangen nemen. Ludwig neemt geen risico en dood de generaal.
Het nieuws dat de generaal dood is snelt over het slagveld. Het moraal zakt in en het belegeringsleger slaat op de vlucht.
Al met al een prachtige heroisch slag, al zeg ik het zelf.
Na een fikse wandeling door het kasteel bereiken ik samen met Rafael de kamer met de halve bol. Het lukt mij niet om de halve bol aan de praat te krijgen, maar Rafael heeft het snel in de vingers. We vinden inderdaad een zwart puntje in de kamer met het zieke kind. We oberserveren het korte tijd, en dan spoed ik mij naar de kamer met het zieke kind. Maar daar aangekomen zie ik alleen maar monnikken en Yousef. Als snel blijkt dat hij het zwarte puntje was.
Na het avondeten besluiten we gezamelijk de wacht te houden.
Het is al laat in de avond - de meeste monnikken zijn niet meer te zien - zien we beweging op het dak. Samen met von Hofvdt ren ik de trap op naar het dak. Daar aangekomen zien we niets. We besluiten ieder een andere kant om de patio te lopen. Dan zie ik in de verte beweging. Ik sluip erheen, maar toch wordt ik verrast door een vervaarlijk uitziend monsterlijke hond. Hij is groot met enorme tentakels. De hond valt mij aan en verwond mij. Meteen is het verdwenen, om achter mij weer op te duiken. In de veronderstelling dat de rest van de party achter Ludwig en mij zijn aangekomen, roep ik om hulp. Een reactie blijft uit, maar dat weerhoud mij er niet van om dit monster te lijf te gaan….tot het zwart voor mijn ogen wordt.
Wanneer ik bij kom, heb ik een groot tentakel in mijn been. Het monster is verdwenen. Rafael zegt me dat ik me buiten het gevecht moet houden en hij loopt weg richting de kamer van het zieke kind. Ik pak mijn zwaard en strompel nog wat erachter aan om op de rand van de patio te steunen.
Dan zie ik iets curieus. Een monsterlijke hond valt Ibrahim aan. Hij rent weg richting de kantelen en spring over de muur (!!) om dan in de lucht te blijven hangen aan een stokje van een voet lang!? De hond is hem achterna gekomen en springt ook over de kantelen om met een gejank naar beneden te storten. Met nog wat gepruts met andere stokjes weet Ibrahim zich weer op het dak te hijsen/slingeren.
Ondertussen heeft Rafael de heks verslagen die het kind vergiftigde.
De volgende dag zijn mijn wonden alweer genezen door de goede zorgen van de monnikken. We worden uitgebreid bedankt en ons wordt ook het ridderschap van de orde van Heironeous aangeboden. Dit is een prachtig aanbod, maar Heironeous is niet mijn godheid, en ook iets te rechtlijnig naar mijn smaak. Ik vrees dat ik - als ridder van deze orde - acties moet ondernemen die mijn huis schaadt of tegen mijn overtuigingen ingaan. Beleefd geef ik aan dat ik hun aanbod op dit moment niet kan aanvaarden.
Rafael maakt wel gebruik van het aanbod, en is zo de 3e ridder in ons gezelschap.
Een mooie bonus is wel dat de monnikken mijn zwaard verbeteren (dit is nu een +2 bastard sword).
Het zieke kind
In het kasteel worden wij gastvrij ontvangen. Het blijkt een klooster te zijn van monniken van Heironeous. (Ja, dezelfde god die Rafael aanbid.)
Na de maaltijd wordt om onze hulp gevraagd. De monniken hebben een probleem met hun magie. Die krijgen ze doordat ze kinderen opnemen hopend op de wedergeboorte van d'Azure. Al blijft het wat vaag wie dat nu is, maar het kind is voor de monniken erg belangrijk.
In ieder geval zijn de kinderen ziek en zorgt dat ervoor dat de monniken niet de kracht hebben om de belegering te verslaan. Helder. Eigenlijk komt het erop neer dat we niet wegkunnen zolang dit probleem niet is opgelost. Listig.
Eerst maar eens een goede nachtrust. En met de zorgen van de monniken wordt ik de volgende dag uitgerust wakker en ik voel me als herboren.
We krijgen een rondleiding door het kasteel. We komen bij een zonderlinge kamer. Hier zit een soort halve bol, welke doorzichtig is, op een tafel. Met een soort handgebaar kan deze bol gemanipulleerd worden. Als ik in de bol kijkt zie ik het kasteel waar we inzitten. Met veel groene puntjes en 1 oranje puntje. De monnik legt uit dat de groene puntjes de monniken zijn en de oranje is Ravi. De zwarte puntjes zijn wij. Best wel een coole kijk-bol. Ik denk dat vader ook wel zo'n bol zou willen hebben….misschien moet ik later eens vragen of dat kan.
Na de toer worden we naar het zomerverblijf gebracht waar de zieke kinderen verblijven. Het zieke kind ziet er erg slecht uit: meer een mummie dan een levend wezen. Ravi krijgt toestemming om het kind te onderzoeken.
Ondertussen vraag ik aan tante of zij misschien de kinderen kan helpen, maar zij vertelt me dat zij binnen dit kasteel geen krachten heeft. (Betekent dit dan dat zij mij ook niet meer kan genezen? Binnenkort toch even vragen.)
Als Ravi even later buiten komt, vertelt hij aan Amrani en mij dat het kind vergiftigd is, en waarschijnlijk nog steeds vergiftigd wordt. Alleen wist Ravi niet welk gif. Omdat ook niet helder is wie de dader is, besluiten wij om de Monniken dit nog niet te vertellen: we zouden wel eens de verkeerde kunnen vertrouwen.
Ik opper dat als er een valse monnik is, dat deze dan geen geloof meer heeft in Heironeous, en misschien wel niet groen oplicht in de kinder kamer. Ravi en ik besluiten naar de kamer met de kijk-bol te gaan om deze hypothese te testen.
….gegokt en verloren….
Na onze avonturen in de ondergrondse gewelfte van de tempel, zien we in de verte licht aan het eind van de tunnel.
We komen eindelijk aan uit de onderaardse grot vandaan. Onze rijdieren staan op ons te wachten. Mijn kameel begroet mij hartelijk met een beet in mijn schouder. (Vervelende gewoonte van die kamelen.)
Ik knoop ondertussen een praatje aan met de tante van Amrani. Ik vertel haar dat ik door de schorpioen achtige wezen ben gestoken en sindsdien voel ik me veel minder krachtig. Of ze misschien weet wat dit kan zijn. Ze wil mijn wond wel bekijken. Nadat ik mijn bovenlijf heb ontbloot, ziet ze direct dat de wond er slecht uitziet: een zwarte vlek met uitlopers alle kanten op. Ze kijkt mij bedenkelijk aan en zegt dat ik hier niet zo lang mee had moeten rondlopen.
Vervolgens mummelt ze wat en drukt vervolgens een vinger op de wond: een stekende pijn volgt. Maar wanneer ze klaar is, zakt de pijn en voel ik mij weer een stuk krachtiger. Ze zegt dat deze behandeling tijdelijk werkt en nog een aantal keren herhaalt moet worden om blijvend effect te hebben.
Ik vraag haar hoe ik haar kan bedanken, en ze vraagt mij om haar neef te helpen zijn oom te verslaan en zijn moeder te redden. Ik beloof haar dat ik mijn uiterste best zal doen om hem te helpen.
Wanneer we even later boven op een heuvel komen, zien we ons volgende reisdoel: de toren. Helaas wordt deze belegert door het leger van de Tiranieke oom van Amrani. (Vanaf nu de Tiran genoemd).
We wachten de avond af en gaan richting het kamp. Meteen onderaan de heuvel weet Amrani een soldaat te overtuigen om Amrani (en de rest van onze club) naar de tent van de generaal te brengen.
Daar aangekomen probeert Amrani de Generaal te overtuigen zich bij Amrani aan te sluiten. Maar de ijzervreter heeft daar geen trek in, en voor het we weten zijn we in een bitter gevecht gewikkeld met de generaal en zijn wachters. Ondanks dat de genezende kracht van Amrani's tante weer is uitgewerkt, weet ik meerdere zware klappen uit te delen aan de generaal. Helaas krijgen we hem niet klein. Ineens wordt het zwart en grijpt Amrani's tante ons mee en voert ons naar buiten. Daar grijpen we onze rijdieren en vluchten naar het belegerde kasteel.
Daar wordt de poort gelukkig voor ons open gedaan en we vluchten naar binnen. Hier worden we door een oudere heer welkom geheten…bij naam. Goed om te merken dat mijn familienaam wijd bekend is.
Na weken reizen is de eindbestemming daar: de burcht van Baron de GUile sûr Batoix.
Weg van mijn broers en op naar het avontuur als schildknaap.
Ik wordt toegevoegd aan het gevolg van Clouchard von Siun om de noordelijke landen te inspecteren.
Met mij zijn nog een aantal schildknapen van verschillende komaf toegevoegd aan het gevolg van heer von Siun:
Mijn naam is Jean-Claude de Bruèl en ik ben de 13e zoon van heer Dascquart de Bruèl. Momenteel ben ik 14e heer van Colln Verdoy Ouest (aangezien mijn broer Vicent enkele jaren geleden bij een jammerlijk ongeval is overleden.)
Het grootste deel van mijn jeugd heb ik doorgebracht in Burcht Falaise Blanche te Àpartirde en omgeving. Van jongs af aan bestond de opvoeding doordeweeks uit les in de ochtend (lezen, schrijven, historie, talen leren, etc) en 's middags les in krijgskunde. Oftewel mijn oudere broers van het lijf houden met (zwaard)vechten. Het heeft mij letterlijk en figuurlijk sterk gemaakt. Maar nu mijn broers mij bijna niet meer kunnen verslaan met vechten, dan gebruiken ze wel hun senioriteit om mij het leven zuur te maken. Het helpt ook niet dat ik als enige zoon geen rood haar heb… Hoewel mijn vader het absoluut niet wil horen, zinspelen mijn broers er vaak op dat ik een bastaard zou zijn.
Het liefst ga ik met onze jacht opziener mee de bossen en landerijen in. Op inspectie, of op jacht, en soms op zoek naar stropers. Ik ben wat dat betreft een natuurmens en ik heb er geleerd hoe ik mij met weinig middelen kan redden in de natuur.