Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


oost-nerisse_de_verre_eilanden

Oost-Nerissè (De Verre Eilanden)

De Elthir:

Al voor era's bewonen zij Elthirioné , zij zijn de oudste nog levende bewoners van deze eilanden De legende over hun herkomst stamt uit de tijd van de 2e vorige era en gaat als volgt; Zij kwamen uit een gebied waarvan niemand het bestaan meer afweet uit Lethall. Hun bestaan was karig en hard en hun volk was, aan het afnemen toen er plotseling pen godin verscheen zij voorzag enorme rampen voor haar volk en gebood haar op reis te gaan naar het oosten, en zij gingen. Door de grote ijs-woestijn naar de oostkust, waar zij door hun verschijning, zo'n 200.000 mannen, vrouwen en kinderen, een plotselinge aanval op een Noordmannen dorp door naburige stammen verijdelden. De hoofdman van dat dorp was hen eeuwig dankbaar en na uitleg wat deze volksverhuizing in deze woestenij deed, bood hij hen aan om met gebruik van zijn schepen naar het oosten te gaan, deze hoofdman was Osmaan, echter nog zeer jong. Na veel omzwervingen stormen en tegenspoed, kwamen zij in afgeslankte vorm op de Verre eilanden, aan de hemel straalde de ster hun godin, en zij noemden het land naar haar; Elthirioné. Het eerste land wat zij betraden noemden zij Corp-Célesteth ( Elfs voor Hemellichaam) en zij stichtte ûrm (vrede), zij waren bedreven in de massieve bouw en spoedig waren en de grootste en de mooiste gebouwen uit de grond gestampt. Spoedig hadden zij de gehele eilanden groep, zij het soms met hele kleine dorpjes gekoloniseerd. voornamelijk het oostelijke eiland was dunbevolkt. ( het zuidelijkste eiland was in zijn geheel niet bewoond door elven, omdat het daar niet pluis was.) zij leefden tot het jaar nul in vrede en voorspoed.

De jaren na nul:

Nadat op de oude eilanden Ghûhall de macht probeerde te krijgen kreeg ook Elthirioné te maken met het verschijnsel oorlog. De elven waren totaal niet in staat zich te verdedigen (zij hadden dit ook nooit gedaan in de oudheid) maar Ghûhall wilde zijn macht niet alleen maar beperken tot de Oude Eilanden. Vanaf Dertûn leidde hij zijn orken en lage wildemannen naar de grotere eilanden dood en verwoesting achter zich latend. Bij toeval of door de hand van de goden belandde Osmaan aan in de haven van ûrm en nu was het zijn beurt om de elven te helpen. Met zijn Noordmannen begon hij aan verdedigingswerken op de Kaap-Mords, echter zij waren in de verre minderheid en werden al snel belegerd. in de nacht , waarin de hevigste aanval van de vijand plaatsvond, werd er een kind geboren, hij werd Yragaäl (hoop op wraak) genoemd.

Vijftig jaren besloegen de eerste oorlog. Yragaäl wierp zich vanaf zijn l6e levensjaar op als een geboren leider eenieder respect voor de knaap . Samen met de Noordman Osmaan, doorbrak hij de blokkades van de dienaren van Ghûhall en bracht hij de eerste veldslagen op zijn naam. Toen brak de dag aan dat de beslissende slag moest plaatsvinden. Osmaan met zo'n 1.000 mensen, Yragaäl met zo'n 25.000 elven en Coín een dwergen koning die met Osmaan meegereisd was, met zo'n 800 mannen van zijn volk. Tegenover hen stond een strijdmacht van meer dan 100.000 Orken en nog eens 50.000 wildemannen, zij waren gedwongen om te verliezen maar wilden dat niet doen zonder nog eenmaal voor hun geliefde eilanden te vechten. Horens schalden, maar het waren niet die van hen of van hun oppermachtige vijand. Het waren de mensen van de oude eilanden, die, na Ghûhall en zijn trawanten verdreven hadden de elven en hun bondgenoten te hulp schoten Nadat het bericht zich de ronde deed tussen de gelederen van Ghûhall's leger ontstond er blinde paniek, een ieder vluchtte naar een veilig heenkomen. De zwarte rossen van de mensen van Maghrpur verpletterde hen, gevolgd door de strijdlustige dwergen en Noordmannen terwijl de elven met behulp van de loop troepen de toegang naar de havens probeerde af te snijden Twee weken duurde de slachting. Een goede 10.000 volgelingen van Ghûhall vluchtte terug naar hun eiland achtervolgd door de snelle schepen van de vikingen en de oorlogsvloot van Valzyn. Hun verliezen waren gigantisch en slechts een klein deel van hen bereikte hun eiland in het noorden. Maar ook de verliezen aan de zijde van de elven waren groot geweest en het zal een hele tijd duren voordat de bevolking weer zo machtig is als tevoren. De vijftig jaar oorlog eisten hun tol. Sinds dien is er vrede tussen de beide eilandengroepen en wordt er wederzijds hulp geboden bij oorlogen en wordt er vrij gehandeld.

Het vertrek van de helden:

Tien jaar na het einde vin de oorlog vertrekt Osmaan. Ook Yragaäl besluit om mee te gaan naar het vasteland. De dwergen koning besluit om zich te gaan vestigen op Elthirioné, waar hij, en zijn volk, hartelijk welkom is. Het verdriet is echter groot als zijn vrienden voor het leven Osmaan en Yragaäl de zee poort van ûrm uitvaren. De nazaat van Yragaäl wordt twee maanden na zijn vertrek geboren en wordt Faldûn vader van ûrm (beschermer) genoemd en groeit op tot een wijs en gerecht heerser van Corp-célesteth. Zijn halfbroers Tarketh en Mosin (I) worden benoemd tot voogden van resp. Sorriun en Monade. Zijn neef Tollghârth wordt voogd over de dunbevolkte oostkust.

Het einde van de eerste era:

Aan het einde van de eerste era is het volk van Faldûn weer op zijn oude sterkte, handel en welvaart bloeien op in de Verre Eilanden maar ook komt er een duistere schaduw over het land. Faldûn overlijdt bij een jachtpartij aan zijn verwondingen, nadat hij uit het zadel is geworpen. De macht komt nu in handen van zijn zeer jonge dochter Lesoline, Mosin I heeft de macht overgedragen aan zijn zoon Mosin II In de Oude eilanden roert Ghûhall zich weer. Met behulp van een donker, menselijk ras heeft hij zich weer op het land gevestigd. Dit ras heeft ineens ambities en eist het hele eiland voor zich op, Maghrpur vraagt om hulp om het nieuwe verraad de kop in te drukken. Lesoline, in haar onbekwaamheid, weigert. Als Lesoline eindelijk overtuigd kan worden door haar raadsheren die de noodzaak van troepen sturen, inzien. Is het te laat; het nieuwe volk heeft zich een stevige positie weten te veroveren en vernietigd dan ook de net gelande elven legers met gemak. Bovendien is nu de toegang voor de zeeweg afgesloten die de beide eilanden gebruikten voor het sturen van legers en handelsgoederen. De samenwerking blijft op papier bestaan want Lesoline stuurt na herhaalde oproepen geen nieuwe troepen. Zij krijgt te maken met een eigen probleem; de ska.

De komst van de Ska:

In het midden van de tweede era kwamen zij vanuit het noorden. De elven, wijs uit hun eerdere ervaringen met volkeren uit het noorden stelden hun legers gelijk op hoogste paraatheid. Verkenners hadden zich al geposteerd in de duinen van de oostkust. Tegen de verwachting in gedroegen de nieuwe mensen zich rustig en beschaafd. Toen zij echter het land genoeg verkend hadden zagen zijn krijgers buit en slaven, want in geen tijd waren alle dorpjes aan de oostkust uitgemoord, gebrandschat en in de as gelegd. Het oosten was te dun bevolkt om een behoorlijk leger op te roepen, dus moest die vanuit het westen of zuiden komen. De legers van Lesoline (een deel) en de legers van Tarketh stonden opgesteld aan de noordzijde van Sorriun toen zij de barbaren van het oude land zagen, de slag die volgde was kort maar hevig, grote verliezen aan beide zijden. Vanuit het noordwesten was Morin II aan het hoofd van leger komen aanrijden om de vijand vanaf de voorden te bestoken, dit tot grote verrassing van de Ska die alleen maar ongeorganiseerde legers als vijanden waren tegengekomen.

De slag der scheiding:

Mosin II kon, met zijn legers doordringen tot het hart van de net ontstane leefgemeenschap van de Ska. Hij richtte daar ook een enorme schade aan. De Ska, die al hun legers en schepen naar het zuiden gestuurd hadden, om de vijandige inboorlingen te bevechten, hadden slechts een klein detachement in hun stad achtergelaten. De mannen van Mosin II ondervonden dan ook geen noemenswaardige tegenstand en bezette de voorden van de Shuran rivier. Inmiddels was er een groot en sterk leger van Ska samen gevloeid aan de zuidkust van Skaghane, zij stonden oog in oog met de elven krijgers van Lesoline en Sarketh, die hun positie aan de noordkust van Sorriun hadden ingenomen. (De breedste lijn van de beiden kusten is slechts die van een flinke rivier, maar voornamelijk smaller, hoewel wel zeer diep.) Toen zij het bericht kregen dat minstens de helft van de door hen veroverde gebieden alweer heroverd waren door andere elven werden zij blind van woede en de eerste echte oorlog tussen Ska en Elthiriärs brak los. De grond kleurde rood toen hij over was, de elven, nog steeds niet hersteld van hun eerste oorlog hadden het onderspit moeten delven tegen de in grotere aantallen aanwezige Ska krijgers. Maar ook de Ska hadden hun verliezen en ook zij waren genoodzaakt om de strijd te staken.

In 799 2e NE. sloot Lesoline een gewapende vrede met de Ska, die hieruit bestond: Dat het oostelijke eiland nu officieel grondgebied van de Ska was, en dat er zonder aanstoot er geen aanspraak op gemaakt kon worden. het land zou nu Skaghane heten, met de hoofdstad Tïntzinfyral.

De tweede oorlog; het verraad:

Na een periode van betrekkelijke rust, behalve een paar grens geschillen van gene belang, roerde het in Skaghane. Het volk had zich enorm Voortgeplant en de grondstoffen in dit oostelijke land raakten uitgeput. Veel Ska trokken daarom ook naar het zuiden om zich daarbij te laten onderwerpen aan de elven wetten en voorschriften. In het westen werd de troon overgedragen aan Dörth, een jonge levenslustige jongeman, In Monade werd drie Jaar later de troon ( van het voogdij) overgedragen op Delsorff, een verdrietige verschijning ( met een, wat later bekend zou worden, een ongekende intelligentie en magie). De problemen in de zuidelijke landen was dat de toenmalige voogd, Tarketh, had geen opvolger Nu, oud en moe van het leven was hij niet in staat geweest om te huwen of een al dan niet wettig kind te verwekken. Op zijn sterfbed wees hij Gleanoth (de tweede zoon van Mosin I) aan als erfgenaam van het voogdijschap, welk hij met spoed aanvaarde. Na zijn benoeming inspecteerde hij de landerijen en vlaktes van Sorriun, evenals de kazernes en legers, wat hij zag verblijdde hem niet. De ska hadden, bij afwezigheid van een sterke man in het zuiden, gelegenheid gezien om steden, dorpen, scheepswerven en zelfs forten en kazernes te bouwen aan de noordkust. Waarvan Ys de hoofdstad was. Ook bemerkte hij dat het grootste gedeelte van “zijn” volk bestond uit Ska, die volgens hun aloude, eigen regels leefden en geen inmenging van elven duldden. Woedend deed hij bericht bij zijn neven en tante. de Elthär-Tar (de koning) en de Voogd van Monade, alsmede de koningin-moeder, en zij besloten furieus. De oorlog was een feit. Haastig werden er in het geheim honderden krijgers overgebracht op schepen, naar de oude hoofdstad; Sir. Tevens wilden zij de vijand van de voorden af hebben. Een grootscheeps offensief stond voor, de oorlogsvloot gereed om de Ska steden onder vuur te nemen vanaf zee, en zo het land leger de tijd te gunnen voor een inval van de voorden en het land daar te zuiveren van deze barbaren. Echter waren de Ska al bezig met een samenzwering om de macht over te nemen in het gehele zuiden. Hun spionnen zullen wel vreemd opgekeken hebben door al die leger activiteiten, echter dit bracht hen wel in gelegenheid hun leiders te waarschuwen en de nodige voorzieningen te treffen.

635 3e NE:

Een straffe westelijke wind stuwde de vloot der Elthir naar de vijandige steden, toen zij plotseling oog in oog stonden met de gehele oorlogsvloot van de Ska, een slachting onder de schepen van de elven was het resultaat. De land troepen werden niet afgewacht, al in de nacht ervoor waren Ska troepen de Voorden overgestoken en de grens van Sorriun en vielen nu de kampementen van de elven aan, die halsoverkop vluchtten, achtervolgd door de Ska troepen. De Ska vloot had het stoutmoedige plan ûrm te bezetten door simpelweg de haven in te varen, dit viel echter in duigen, omdat een oplettende torenwachter de stad alarmeerde, door, ondanks het vroege uur de banieren te herkennen die door de oorlogsvloot werden gevoerd. echter, zij hadden verschillende banieren ondersteboven gekeerd (welk een grove belediging is). De Ska vloot werd bijna totaal vernietigd door de in ûrm opgestelde ballista's en katapulten. Inmiddels hadden de elven troepen zich weer gegroepeerd, en vielen met de moed der wanhoop de Ska troepen op het lijf, tijdens deze slag om de voorden ontmoette de elven- koning en de toenmalige koning van de Ska elkaar en kruisten de zwaarden met elkaar totdat een ongelukkig salvo Ska pijlen daar vroegtijdig een einde aan bracht, evenals aan beider levens. In Sorriun was het gevecht nog in volle hevigheid bezig. De troepen van Gleanoth verloren terrein en werden ver- slagen, Gleanoth verloor zijn leven bij het verdedigen van de poorten van Sir, evenals vele edelen van zijn geslacht. De strijd was gestreden, beide landen zonder koning, zonder leiders. Er werden snel nieuwe afspraken gemaakt voor de vrede, ditmaal met de Ska als winnaar. Besloten werd dat de Ska het zuiden behielden en de oostkust van de voorden. Hargoth ( later “de Witte”). de zoon van Dörth werd als koning gekroond van de alpen landen. Deze oorlog zou in de kronieken worden opgenomen als de oorlog van de gevallen koningen.

Na de 2e oorlog:

Na deze oorlog werden de troepen van de elven nooit meer dezelfde, zij bleven in mindere getalen als die van de ska. In de oorlog waren er hulp geboden gestuurd aan het hof van de Maghrpur, Noordmannen en naburige elven stammen. De meeste werden opgevangen door de vijandige Xyloûs of door dienaren van Ghûhall en de hulp kwam dus te laat. Echter werden er afspraken gemaakt tussen de verschillende volkeren, dat er bij een volgend treffen de Elthiriärs hulp geboden zou worden. Op dit moment trad Delsorff naar voren en nam het woord. Hij voorspelde dat er voor het einde van de volgende era een grote oorlog tussen de eilanden zou uitbreken dat de oude rijken alleen gered konden worden door hulp van buitenaf, een erfgenaam. Men nam de dreiging zeer serieus, men kende zijn voorspellende gaven. De derde era gleed voorbij en het volk wachte op de gevaren en rampen die komen zonden.

De verwachte oorlog:

De vierde era NE. kroop vooruit en eindigde in een kort tijdbestek de kortte era tot nu toe. Lesoline overleed en Hargoth de Witte benoemde zijn zoon Hagnoms tot koning. Behalve wat slagen in de Oude Eilanden, waarin de elven deelnamen in een poging de Xyloûs neer te slaan in hun veroveringsdrift. Het enige van belang is de tweestrijd van Ghûhall en Delsorff, die zij in het geheim streden, om hun krachten te meten. De zonen van Hagnoms, jong en nieuwsgierig volgden hun oom stiekem, in nachtelijke tocht. Zij waren waarschijnlijk de enige getuigen die gezien hebben wat daar heeft plaatsgevonden, welk machtige magie werd gebruikt om hun oom te doden. maar zij zullen het de elven niet na kunnen vertellen, want sinds die tijd zijn zij spoorloos verdwenen. Smart was groot bij de koning, bij het verlies van zijn beide zonen Nomsed en Nomis, en zijn neef de magiär. Hij werd een in zich zelf gekeerde man en stierf later, aan, naar wat men zegt een gebroken hart. zijn vader nam de macht weer over, tezamen met zijn broers Elisias en Legaloth. De voogdij van Monade werd overgedragen op de zoon van Delsorff; K't&egravelm. Het begin van de voorspelde vijfde era NE. komt in zicht.

De grote oorlog:

Op de nacht van de erawisseling sterft de oude koning van de Ska de troon achterlatend voor zijn zoon, een driftige jongeman met een extreme haat jegens de elven. Bijgestaan door een valse en doortrapte generaal als raadsman. De 2e dag van het jaar 0 v/d 5e NE. rijden reeds de ruiters van de Ska het land Monade binnen en richten enorme slagen uit aan de elven troepen. Als K't&egravelm een verdedigingsuitval wil doen wordt hij gedood door aanstormde troepen van de Ska zijn broer Aort vlucht naar Mûrsun, een vestingstad aan de grens, echter ook daar zijn de troepen van de Ska. Er kan geen hulp geboden worden vanuit de oude eilanden, omdat de Xyloûs zich zijn gaan roeren en Ghûhall, weer een poging doet om zich meester te maken van de eilanden. (Na een lange afwezigheid, sinds het treffen met Delsorff) Tevens zijn er in het westen legers van orken en wildemannen van het eiland Dertûn slaags geraakt met de elven uit de kaap Mords en de stad Gstoth. De troepen van de Ska stormden nu op ûrm af, maar raakte omsingeld door de uitvallende elven ruiterij en de daar wonende dwergen achter hen, die, na lange terughoudendheid, besloten hebben de elven te hulp te schieten. Ook zij worden evenals ûrm nu belegerd door de Ska. Dit alles was drie Jaar geleden. Drie jaar is ûrm nu belegert, de dwergen zijn nu ook in haar stadsmuren opgenomen. Behalve het uiterste zuiden, wat geholpen is door de Noordmannen, die wel gehoor hebben gegeven aan de oproep van jaren terug, zij kunnen echter alleen de steden bevoorraden. door gebrek aan manschappen. Zij zullen er echter alles aan doen om daar aan te voldoen, is het lot van de rest van Elthirioné en vooral Corp-célesteth onbekend.

oost-nerisse_de_verre_eilanden.txt · Laatst gewijzigd: 2011/04/08 00:00 (Externe bewerking)