Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


victoria

Inhoud

Victoria Fabricius

Victoria Fabricius

Charactersheet

Amazzonite, psicrystal van Victoria

Oude sheets

Speler

To do list Victoria

Algemeen

  • Kennis maken met de groep (wie is wie; NAMEN)✔
  • Kennis en kunde met elkaar delen (wat kun je en wat ben je)✔

Groepsafspraken

  • Groepsafspraken maken ✘
  • Groepskas maken (als, dan: wie gaat deze beheren en bijhouden)✔
  • Verdeling gevonden voorwerpen ✘

De geldbuidel van Victoria

Ja, iedereen kan dit lopen aanpassen maar gelieve dit niet te doen. Daarnaast heb ik nog een backup in de vorm van een Etools charactersheet en een PDF die ik regelmatig upload. Die gelden als richtlijn en uitgangspunt voor mijn geldbuidel!!!

Start

  • 44 gp
  • 03 sp
  • 00 cp

Inkomsten

  • 05 gp (repayment Tharilith groepskas)✔
  • 05 gp (repayment Seebo groepskas)✔
  • 05 gp (repayment Ann groepskas)✔
  • 02 sp (kosten veerpont, terug betaald uit groepskas!)✔
  • 05 cp (kosten stallen emoe's, terugbetaald uit groepskas!)✔

Uitgaven

  • 25 gp (naar groepskas; 5gp ieder character. 20gp terug te ontvangen!!)✘
  • 15 gp kar✔
  • 02 sp (kosten veerpont hele groep; 2sp terug te ontvangen!!)✔
  • 01 cp (geitenmelk; persoonlijk)✔
  • 05 cp (stallen voor Emoe's; 5cp terug te ontvangen!!)✔

Huidig

  • 19 gp
  • 02 sp
  • 09 cp

De geldbuidel van de groep

Victoria heeft 25gp gestort dat gebruikt kan worden als groepskas. Hiervan kunnen uitgaven gedaan worden voor de groep zoals overnachtingen en eten in herbergen, stallen van rijdieren, tol, etc. Het is niet de bedoeling om hier wapens, armor, potions en andere uitrusting van te halen; dat doe je op EIGEN kosten! Victoria krijgt van elke speler (tzt) 5gp terug.

Start

  • 25 gp (Victoria stort 25gp als groepskas. 20gp terug te betalen aan Victoria; 5gp ieder character)
  • 00 sp
  • 00 cp

Inkomsten

  • 200 gp (verkoop gouden hoorn; dd 09-05-12)✔
  • 226 gp (omwissel 2 ringen → 226 gp; dd 09-05-12)✔
  • 100 gp (100 dwergen kronen)✔
  • 00 sp
  • 00 cp
  • 01 Ketting (à 136 gp/stk) (verkoop gouden hoorn; dd 09-05-12)✔
  • 28 Ringen (à 113 gp/stk) (verkoop gouden hoorn; dd 09-05-12)✔

Uitgaven

  • 01 gp (kosten kamers 'all-in' Fuduu; dd 11-04-12) ✔
  • 80 gp (mountain pony voor Victoria; dd 09-05-12) ✔
  • 02 gp (olie voor olie lampen 20 flasks; dd 09-05-12) ✔
  • 15 gp (30 trail rations; dd 09-05-12) ✔
  • 180 gp (2 everburning torchs; dd 09-05-12) ✔
  • 05 sp (kosten kamers 'all-in' Fuduu; dd 11-04-12) ✔
  • 02 sp (kosten veerpont hele groep heeft Victoria betaald; 2sp naar Victoria!!)✔
  • 01 sp (kosten eten in Roxy hele groep, heeft Ann betaald; 1sp naar Ann!!)✔
  • 05 cp (stallen voor Emoe's, heeft Victoria betaald; 5cp naar Victoria!!)✔
  • 02 ringen (omwissel naar contanten → 226 gp; dd 09-05-12)✔

Huidig

  • 172 gp
  • 100 gp (100 dwergen kronen)
  • 01 sp
  • 05 cp
  • 01 Ketting (à 136 gp/stk)
  • 26 Ringen (à 113 gp/stk)

Gevonden voorwerpen door Victoria (voor de groep)

  • 1 Spreukenboek met groene lederen kaft. (Naar Seebo gegaan!)
  • 8 Potions (verdeeld binnen de groep. Resp. naar Ann: 2x CSW/ 2x CCW; Seebo: 1x Delay Poison; Hundra: 1x Bull Strength; Tharilth: 1x Bear's Endurance/ 1x Cat's Grace).

(?)= Nog nader te onderzoeken/ uit te zoeken.

Reisverslag queeste: De bruidsschat

Hersenspinsels & Gedachten

Kaarten & Informatie

kaart Eliat kaart Grote Vhar Woestijn en Grundle Brief Duc Charges II

(Dag 1) 8e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Onze opdracht en vertrek

Voor vandaag staat er een afspraak met onze luitenant op de agenda. Geen idee wat hij te melden heeft maar ik vraag me af wat hij hier in Vatohs, 500 km van Kloff (Kløv), de stad waar hij het commando voert, te zoeken heeft. Waarom reist de beste man ons achterna? Sterker … wat doe ik hier eigenlijk met 4 andere companen die ik wel eens gezien heb bij de militia van de stad in de bergen?

Even een snelle voorstel ronde aangaande die gehele groep (ik heb er tenslotte 500 km mee opgetrokken naar deze uithoek):

  • We hebben een heks, een mensen vrouw; Ann Scarecrow, die naarstig op zoek is naar een bezem.
  • We hebben een barbaar, mensen vrouw, luisterend naar de naam Hundra, die bijna alles doet voor geld (althans dat gevoel heb ik). Ze weet haar laatste goudstuk te vergokken, niet realiserende dat ze nog een hele trip te maken heeft en dat ze haar geld nog hard nodig zal hebben.
  • We hebben een vrouwelijke elven fighter, Tharilith.
  • We hebben een mannelijke gnoom illusionist Seebo Borrlt. Én …
  • dan ben ik er ook nog, Victoria, mens, vrouw én psion …

Nu hebben we de hele groep in elk geval benoemd. Hoe het verder in elkaar steekt en wat men van elkaar mag verwachten én NIET verwachten is voorlopig van latere zaak.

Terug naar de luitenant en de opdracht voor ons.

… naar het schijnt gaat de Stadhouder van Kloff trouwen. Maar meneer de Stadhouder heeft niet voldoende geld om zijn lief te trouwen. Dus aan meneer de luitenant de opdracht een bruidsschat op te halen. Dat gaat meneer de luitenant natuurlijk niet zelf doen … hier komen wij in het verhaal!! We moeten afreizen naar Myrinant, een elvenstad, en vanuit daar moeten we naar “de Mijnen”. In Myrinant weten ze de weg naar “de Mijnen” dus we moeten daar maar eens verder vragen. “Tot ziens, succes met de opdracht ik ga weer” zo spreekt de luitenant … De barbaar stelt nog wel even de vraag waar de eventueel gevonden bruidsschat naar toe moet. Wilde gok … naar zijn vertrekken. Mijn wilde gok blijkt te kloppen. Vrolijk zwaaiend neemt meneer de luitenant afscheid als de groep, exclusief mij en de elf, zich stort op het lokale vertier.

Daar zit ik dan in Vatohs, een kroeg dat zo groot is als een dorp, met alleen maar onbekenden en 4 wat minder onbekenden. Dat laatste is geen understatement maar geheel berustend op de waarheid. Een heks, een barbaar, Tharilith en een illusionist … wat gaan we hier in godsnaam mee doen? Let wel, voor de vier eerder genoemden zal hetzelfde gelden hoor. Ook zij zitten met nagenoeg 4 onbekenden vast aan een opdracht van meneer de luitenant. Laten we er het beste maar van maken. Ik besluit vroeg naar bed te gaan deze avond, morgen is het tenslotte weer vroeg dag want we gaan naar Myrinant (verder oost vanuit deze kroeg).

(Dag 2) 9e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

We gaan op weg naar Myrinant

De volgende ochtend ben ik als tweede beneden, Tharilith zit al aan het ontbijt. Niet veel later volgt de barbaar. Kort daarop volgen ook de heks en de illusionist. Met z'n vijfen kletsen we wat maar niet inhoudelijk over onze opdracht. Ik meen toch te moeten melden dat ik niemand uit een situatie ga redden waar hij/ zij zich ingewerkt heeft door eigen toe doen. Ik ken dat namelijk, eerst jezelf in de nesten werken en dan van anderen maar verwachten dat ze je eruit gaan halen. Daar ga ik niet aan meewerken. 'Denk na en wees verantwoordelijk voor je eigen daden', een goed motto dat ik te allen tijde nastreef. Ik heb het gemeld, mijn companen zijn ervan op de hoogte!!

Na een goed ontbijt besluiten we Vatohs te verlaten. We krijgen rijdieren mee die voor ons geregeld zijn door meneer de luitenant. Ze staan al in de stallen. Een 5-tal vreemdsoortige loopvogels zijn voor ons bestemd als rijdier. OK!!! even geen rekening meegehouden dat dit soort beesten ook tot de mogelijkheden behoorde. Bepakt en bezakt, zittend op een loopvogel, verlaten wij Vatohs via de OosterPoort. Buiten Vatohs is het pad een soort van steiger dat, ongeveer 20 tot 30 cm boven de grond (veengrond), op palen staat. 't Is een kleine 2 meter breed en het loopt door tot ver buiten mijn zichtsveld … de queeste kan beginnen!

Na een half dagje rijden, doet mijn kont aardig pijn. Het geluk wil dat het eind van de steiger in zicht is. Tijd om de benen even te strekken en mijn billen de nodige rust te geven. Aan het eind van de steiger staat, links, een huisje met een grote bel. Ik stap af en loop richting het huisje. Van de deur is de bovenzijde geopend dus ik vermoed dat er mensen zijn. Ik geef een tikje tegen de bel om de bewoner(s) te laten weten dat er volk is. Echter, het tikje dat ik geef resulteert in een te luide BIMBAM … en ietwat verschrikt doe ik een stapje achteruit. Zo hard tikte ik niet tegen de bel …

Binnen een paar tellen staat er een oud vrouwtje in de deuropening en ze begroet mij vriendelijk. Ze vraagt of wij met de veerboot mee moeten. “Euhm … nou … ja”, weet ik uit te stamelen als ik besef dat het glimmende zwarte oppervlak aan het eind van de steiger het zwarte veenwater moet zijn. “Ja”, zeg ik nu meer verzekerd van mezelf, “… en mijn vier companen”. Of ik groepskorting wil? Natuurlijk wil ik dat. In plaats van 5 koper per persoon betaal ik nu 4 koper per persoon. Ik geef het vrouwtje 2 zilver. Na enige tijd komt het vrouwtje met een beker geitenmelk aan en er ontstaat een discussie met de barbaar. Even kort: de barbaar zou dit hebben besteld bij het vrouwtje, de barbaar ontkent. Drie korten en nog meer langen: ik betaal het vrouwtje een koper (de prijs van de geitenmelk) en drink de geitenmelk op. Klaar, ook weer opgelost!

Dan meert er een veerboot aan en mensen en vee komen de steiger op. Netjes wachtend op onze beurt aanschouw ik hen die van de veerboot afkomen. Niets vreemds valt me op. We gaan de veerboot op en binden onze rijdieren vast aan de daarvoor bestemde hekjes op de boot. Als alles en iedereen aan boord is, vertrekt de boot en varen we het zwarte water op. Tegen de schemer val ik uitgeput in slaap.

(Dag 3) 10e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Nachtelijke escapades!

De volgende ochtend worden we wakker en ik moet zeggen … ik heb verdorie goed geslapen. Als we aanmeren aan een steiger, gaan we van de boot. Ik dank de veerman en loop de steiger op. Hier, op de steiger, vertelt de illusionist een héél vreemd verhaal over een skelet die eigenlijk de veerman was en 's nachts toen wij sliepen heeft die gedaanteverandering zich voorgedaan. Nah, ik geloof hier dus niet zo heel veel van hè. Ja, natuurlijk is er een veerman die de doden naar genezijde brengt maar die betaal je maar één munt (dat is namelijk omdat je niet terug hoeft als je dood bent) maar ik heb voor ieder 4 munten betaald dus dat verhaal van de veerman en genezijde gaat niet op. Snel komen we allen tot de conclusie dat de illusionist verdwaalt was of is in een eigen illusie. Kan niet anders dan dat!!

We reizen weer een dag als we tegen het vallen van de avond een toren zien naast de steiger. De toren is van steen en de ingang zit een aantal meters boven de “grond”. Middels een touw verschaffen wij ons toegang tot de toren en we laten onze loopvogels beneden op de steiger staan … uiteraard vastgebonden aan de palen van de steiger. 't Is een kale toren aan de binnenkant. Wel een dak maar geen trappen om richting het dak te gaan. 'Da's mooi' denk ik, 'hoeven wij ons daar vanavond niet druk om te maken'. In de vloer waar we nu staan zit een gat met een trap naar beneden. Verder biedt deze ruimte voldoende ruimte tot slapen en het maken van een vuur. Na korte tijd brand er een vuurtje en nuttigen wij een warme maaltijd. Ik meld dat ik de eerste wacht op me neem en de illusionist zegt dat hij voor de laatste wacht gaat. Van de andere drie weten we niet welke wacht ze willen.

De barbaar gaat, zonder iets te zeggen, naar buiten om, naar later blijkt, bij de loopvogels wacht te houden (??? ik zie die dieren ook wel staan dus haar wacht is niet nodig lijkt me!) De heks gaat samen met Tharilith, ook zonder iets te zeggen overigens, de trap af naar beneden. Prima, denk ik nog, ze weten wat mijn motto is en dat ik er naar handel en naar leef!! Ik hou de wacht en de rest mag rusten. Als de rest dat niet wil, mij best. Ik denk dat het onverstandig is want morgen is het vroeg dag. Kort daarop valt, in elk geval, de illusionist in een welverdiende slaap.

Na een klein uurtje, schat ik zo, voel ik het ineens koud optrekken. Ook de loopvogels worden onrustig. Dan zie ik, samen met de barbaar, een aantal rode puntjes op de toren afkomen. Snel blijkt dat dit 3 gedaanten zijn die het op ons hebben voorzien. Met een welgemikt slag van haar enorme zwaard doorklieft de barbaar een van de gedaanten maar er zijn nog meer gedaanten. Wat zijn het, wat willen ze en als ze kwaad willen … wat kan ik dan doen? Snel loop ik door mijn powers en ik besef dat ik maar één ding kan doen …

Ik concentreer me op één van de wezens die het verst van Hundra verwijderd is. Ik hoop maar dat deze wezens intelligent genoeg zijn om mijn mind thrust haar werk te laten doen. In mijn ooghoek zie ik dat Hundra het tweede creatuur velt. En ook de derde valt neer … 'ah, enige vorm van intelligetie hebben ze dus, da's fijn om te weten voor een eventueel volgende horde' bedenk ik me.

Dan hoor ik vanuit de kelder van de toren een schreeuw om hulp. Seebo wordt er zelfs wakker van en ook Hundra hoor de schreeuw. Ze vraagt of alles goed is. Ik kan niet anders zeggen dan met mij wel. Seebo staat op en grijpt zijn kruisboog. Ik loop ondertussen naar de trap naar de kelder maar blijf bovenaan de trap staan. Seebo loopt langs me heen net op het moment dat Ann én Tharilith beneden de ruimte invliegen waar de trap ophoudt. Een wezen, gelijkend op die van buiten, zweeft ook de ruimte in. Tharilith lijkt zwaar gewond te zijn en ook Ann staat er ogenschijnlijk niet al te best voor. Seebo schiet de pijl van zijn kruisboog maar deze mist helaas doel. Ik hoor Hundra van buiten naar binnen komen. Met volle snelheid komt ze aangestormd en het enige wat ik doe is wijzen … naar beneden de trap af.

Dan zie ik Seebo stokstijf op de trap staan … want? Ik heb echt geen idee waarom die dit nou weer doet. Het zal wel iets met angst te maken hebben denk ik. Hundra dendert de trap af, struikelt bijna over Seebo maar plant haar zwaard toch in het creatuur. Ik probeer maar weer eens een mind thrust … maar ik voel dat deze niet doorkomt. Hundra hakt door en ook ik gooi nog weer een mind thrust. Hundra raakt, ik merk weer dat mijn power niets doet. Ik kan maar één ding bedenken en dat is dat dit creatuur immuun is voor mijn powers. Hier houdt het dus voor mij écht op. Een ferme slag van Hundra's zwaard velt het monster … het gevaar is voorbij. Nu zie ik dat ook Hundra heftig bloedt. En dit is dus wat ik bedoel met een ander moeten redden uit een situatie waarin ze zich zelf inwerken. Het kost je meer dan het uiteindelijk opleverd!!

Ik zie dat Ann een paar spreuken doet om iedereen weer enigzins op te lappen maar of het ook voldoende is, ik weet het niet. Ik loop naar het kampvuur en gooi er maar weer een stuk hout op. Ik loop naar de ingang van de toren en kijk naar de rijdieren … ze gedragen zich weer normaal. Dat is een goed teken. Hundra loopt langs me heen, pakt het touw, klimt naar beneden en gaat weer bij de rijdieren liggen. Ik snap er echt niets meer van. Niemand zegt iets, iedereen vindt het blijkbaar maar héél normaal dat dit gebeurd is. Wellicht moet ik voor nu mijn mond dan ook maar houden … voor nu! Iedereen kruipt onder zijn of haar dekentje en valt in slaap. Aan het einde van mijn wacht maak ik Tharilith wakker en kruip zelf onder mijn deken. Ik kan de slaap maar moeilijk vatten maar uiteindelijk lukt het me toch.

(Dag 4) 11e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Een goed begin is een zware dobber!!

Als we door Seebo worden wakker gemaakt, hij had de laatste wacht, heb ik moeite mij te focussen. De nachtelijke escapade van gisteren zit me blijkbaar goed dwars. Onder het kopje thee begin ik er maar over. Ik begin met het feit dat ik het niet snap dat Hundra buiten ligt, zonder dit te melden aan de groep, want de wacht ziet ook de rijdieren van boven wel. Belachelijk dat ik niet communiceer dat er een wacht is is haar antwoord. Pardon? Iedereen wist van mijn eerste wacht en Seebo's laatste wacht verder heeft niemand haar wachtmomenten doorgegeven … dat is heel wat anders dan het feit dat ik niet communiceer over wie wanneer wacht heeft. Blijkbaar is Hundra dus de enige die dat niet gehoord heeft. En daarnaast, zo luidt een tweede argument van Hundra, kun je de dieren niet alleen laten slapen. Het zal … al roept dit argument bij mij weer vraagtekens op.

Vervolgens haal ik “het naar beneden gaan van Ann en Tharilith” aan en het feit dat ze de groep hiermee onnodig in een heel groot gevaar hebben gebracht. Want, let wel, Tharilith was bijna dood, ook Hundra heeft flinke klappen gehad, Seebo stond van angst vastgenageld op de trap, Ann had schade opgelopen en zat angstig naast de trap en ik kon niets uitrichten omdat het monster immuun was voor mijn powers. En even héél snel doorberekend (één en één is twee tenslotte) … dit had het einde kunnen betekenen voor ALLE personen in deze groep. Ann heeft tenminste nog het besef dat dit vreselijk verkeerd is gegaan en biedt haar verontschuldigingen aan. En mijn tweede argument: misschien waren we dit creatuur wel helemaal niet tegengekomen wordt afgedaan met: 'nou, dat weet je niet want misschien …' Ja, dat weet ik, dat impliseert mijn woord misschien ook. Dat heeft dezelfde lading als jouw misschien Tharilith …

Hundra doet er nog een schepje bovenop ja, mischien, misschien … dit gaat een lekkere discussie worden Victoria. En haar gezicht verraadt boekdelen. Doe niet zo moeilijk, het is nou eenmaal gebeurd. Klaar! zo meent Hundra. En deze uitspraak wordt door ieder ander aanvaart en ik voel een groepsafspraak opkomen waar ik naar zal moeten leven namelijk: doe niet zo moeilijk, het is nu eenmaal gebeurd. Klaar! Dit alles schouder-ophalend, moeilijk kijkend en het liefst zuchtend. En het lijkt mij nu héél verstandig om mijn mond te houden, héééél verstandig. Want blijkbaar snapt niemand, misschien Ann laat ik die slag om de arm nemen, waar het hier om gaat. Ik sta op en loop naar de opening van de toren … frisse lucht graag!!

In mijn gedachten ben ik woest, écht woest en het liefst zou ik iedereen in de toren het volgende toe willen schreeuwen: HEY MENSEN … HET GAAT OM HET VOLGENDE: DE GROEP WAS GODVER BIJNA DOOD GEWEEST DOOR TOEDOEN VAN TWEE ENORME SUKKELS DIE MENEN, ZONDER IETS TE ZEGGEN, OP PAD TE MOETEN GAAN!!! DOET DAT DAN HELEMAAL NIETS MET IEDEREEN? LATEN WE DIT GEWOON GEBEUREN? EN IN TEGENSTELLING TOT ANN EN THARILITH AF TE SERVEREN, EEN KNAL VOOR HUN KOP TE VERKOPEN (DAMAGE ACCORDING!!) EN FLINK OP HUN PLAATS TE ZETTEN, SERVEREN JULLIE DEGENE AF DIE HET AANHAALT, DIE WÉL COMMUNICEERT. DÁT IS BLIJKBAAR, VERMOED IK, NAAR JULLIE MAATSTAVEN NORMAAL??? WAT EEN ENORME SUKKELS ZIJN JULLIE!! WERKELIJK, IK SNAP HET NIET EN IK WIL DAT OOK NIET SNAPPEN!!!

Uit het bovenstaande voortvloeiend komen de volgende gedachten:

  • Hundra's leven mag gerust in de waagschaal worden gelegd, dat is eigenlijk heel normaal. Zij had anders wel iets gezegd tegen Ann en Tharilith.
  • Seebo die vindt het ook niet erg om dood te zijn. Het doet hem niets, zijn leven danwel zijn dood. Ook voor hem geldt dat hij anders wel wat gezegd zou hebben tegen Ann en Tharilith.
  • Tharilith die vindt het heel normaal mensen te GEBRUIKEN om haar problemen op te lossen. Als ze daarbij zouden sterven, tja …, het blijkt haar weinig te doen. Anders zou ze toch zeker wel SORRY gezegd hebben tegen de groep?
  • Aangaande Ann; hoewel de actie met Tharilith volstrekt ONDOORDACHT en, naar mijn mening, EIGENLIJK ONAANVAARDBAAR is, heeft ze nog fatsoen en, in dit geval helaas wat aan de late kant, enig besef in haar donder. Dat kan van de rest in elk geval NIET gezegd worden.
  • En oh, wacht eens … mensen die anderen GEBRUIKEN, ookal wordt het de dood van de anderen, zijn die naar de “algemene” maatstaven niet EVIL? Of … vergis ik me? Waarschijnlijk wel, want Seebo en Hundra zijn toch GOOD? Dan hadden ze daar écht wel iets aan gedaan. Toch? Of gaat dat binnen je eigen groep dan weer niet op? Kan ook zijn dat Seebo en Hundra óók niet GOOD zijn en dat het GEBRUIKEN van anderen ook voor hen héél normaal is. Maar … dat maakt dan drie personen in deze groep EVIL … dat verklaart wel één en ander aangaande de reacties en standpunten op het nachtelijke voorval. Aan de andere kant, ik heb liever partygenoten die GOOD zijn dan partygenoten die EVIL zijn …

Dan schrik ik op uit mijn gedachten. Of ik me klaar wil maken want we gaan zo. Ann zegt dat ze eigenlijk nog wel naar beneden wil om verder uit te zoeken wat hier nog is. Hundra, Seebo en ik denken van niet. We gaan. Onderweg is het stil, er wordt weinig gesproken. Dan komt Ann naast me rijden en begint te vertellen over wat ze allemaal kan, doet, waar ze vandaan komt en wat haar grote opdracht in het leven is. Ook ik vertel haar mijn professie, dat ik goed ben in de anatomie van de menselijke brein en de anatomie van een mind flayer. Dat ik 5 talen vloeiend spreek en dat ik ook nog filosofie gestudeerd heb.

Tijdens de lunch laat Ann mij een amulet zien. Ze heeft die meegenomen bij het monster in de kelder van de toren. Of ik, met één van mijn 5 talen, de inscriptie kan lezen? Ze wrijft over het amulet. Ik zie niets. Seebo, die nieuwsgierig meekijkt, meldt dat ook hij niets ziet. Ann ziet het toch echt duidelijk en nogmaals wrijft ze over het amulet. Weer zien Seebo en ik niets. Dan wrijft ze over het amulet en met haar caligrafie en tatoo skill schrijft ze de tekens snel in het zand … ze vervagen weer voordat ik het kan lezen. Dan realiseer ik me dat het waarschijnlijk magisch is en ik raad Ann aan een read magic te doen. Daar had ze nog niet aan gedacht. Okay … en daar moet ik als psion mee komen? Fijn dat ik kan helpen.

Na de lunch rijden we door tot het schemer … tijd om het kamp te maken. Als de wachten worden verdeel is er nog gesteggel is over waarom ik de eerste wacht weer neem en Seebo de laatste. Ik vertel dat ik 8 uur onafgebroken rust nodig heb om mijn powers weer terug te krijgen. Iedere onderbreking hierin kost mij powers of ik moet naast die 8 uur rust nog eens een aantal uren gaan rusten, gelijkstaand aan de hoeveelheid onderbrekingen (zie Exp.Psi.Handbook pg 63). Dat is niet ideaal. De eerste of de laatste wacht maakt mij niet uit. Seebo geeft aan dit ook te moeten maar eigenlijk, zo zegt hij zelf, heeft hij gewoon geen zin aan een gebroken nacht. Dan zijn de wachten bekend en gaat deze nacht ons ongestoord voorbij.

(Dag 5 t/m 9) 12e t/m 16e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Saai, saai, ... oeh een schild met kraai, gespieste lijken en een dorpje; saai

De 12 t/m de 14e bloeimaand valt het rijden mij zwaar. De omgeving, rijdend over een drassig dijkje, verraadt niets dan moeras, veengrond en mist waardoor ik klamme kleren heb in de ochtend. Bah! Eigenlijk ben ik dit wel een beetje zat. Ik laat het landschap maar voor wat het is en mijn twijfel, of ik ooit een goed avonturier zal worden, steigt per dagdeel.

's Avonds maken we kamp en zitten we wacht. 's Ochtends is er thee en ontbijt. Tegen de middag nemen we lunch en 's avonds weer kamp. Zie … mijn avonturierschap daalt per dagdeel. Bij de Grote Goden der Creatie … wat is dit saai zeg!!

Maar op de 15e bloeimaand fleur ik weer wat op. Het landschap verandert enigzins. We zien een soort van poort met daarop een rood schild met een zwarte kraai. Geen idee wat ik ermee kan maar het is een welkome afwisseling. Nog iets verderop zien we een ietwat luguber tafereel. Een aantal lichamen gespiest op staken … wat een lekker welkom is dit zeg. We staan even stil bij het tafereel en ik zie ook kleine items aan de staken hangen. Ik ga er heen en bekijk ze van dichtbij. Het zijn een soort van amuletten denk ik maar zeker weten doe ik het niet.

Na een korte inspectie door deze en gene verlaten we de lugubere plek en volgen het dijkje weer in de hoop snel Myrinant te bereiken. Echter ook deze nacht slapen we in de open lucht en zal de mist mijn kleding weer klam en vochtig maken. Bah, bah, bah!!

De 16e bloeimaand stappen we weer vroeg op onze rijdieren en halverwege de ochtend zien we een dorp. Hebben we zo dicht in de buurt van een dorp geslapen? Verdorie, hadden we gisteren maar even iets langer doorgereden, dan hadden we een lekker bed gehad en 's avonds een biertje. Maar goed, dat is niet het geval geweest dus dan gaan we nu maar even naar het dorp. Inkopen doen.

We stallen onze rijdieren tijdelijk en gaan een kroeg in. Hier drinken we wat en iedereen, behalve Hundra, besluit het dorp in te gaan om inkopen te doen. Ik moet een kar hebben. Voor zover ik weet moeten we een bruidsschat halen en ik weet niet hoe we die anders mee gaan krijgen dan op een kar.

De kar is snel gevonden en snel gekocht. Ook de andere drie hebben hun spullen snel gevonden en we gaan met z'n allen weer naar de kroeg waar Hundra nog steeds trouw zit te wachten … met een pul bier. Hoe komt ze daar nou weer aan?

Ze heeft het gekregen van een 'vriend' die haar tegelijk een klein fortuin aanbood voor het afstaan van de bruidsschat. De bruidsschat blijkt een artifact te zijn, althans dat heeft die 'vriend' van Hundra vertelt aan haar. Een fortuin? Klein fortuin verbetert Hundra mij. OK … en waar is die 'vriend' nu? Weg … Hoe zag die eruit dan? Euhm … met een cape en een capuchon eraan. Die droeg hij, die capuchon … ik heb z'n gezicht niet gezien. Ik laat het maar even bezinken en rusten … ik vind het wel heel vreemd.

We pakken onze spullen, ik haal de kar op en we vervolgen ons pad weer over het dijkje. Alweer valt de avond en we maken kamp bij, weer, een oude toren. Deze toren is overigens in slechtere staat dan die we een paar dagen eerder troffen. Het wordt weer een nacht met mist en klamme kleren … ik krijg er een beetje de balen van!!

(Dag 10) 17e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Myrinant ... een mooie stad met een vreemd ontvangst

's Ochtends na het ontbijt en het pakken van onze spullen vervolgen we weer het drassige dijkje. Tegen de middag zien we in de verte een pracht stad. Geheel wit in deze grauwe omgeving. We nemen even de tijd om van afstand naar dit, werkelijk, schitterende tafereel te kijken. Dan gaan we richting de stad.

Als we aankomen bij de stad, zien we voor ons een grote boog die doet vermoeden dat de poort open staat. Echter … geen poort. Vreemd maar het zal. Achter de boog zien we een enorme brede lange trap omhoog met aan weerszijden een rij van zwaar bepanserde en bewapende, vermoedelijk, elven wachters. Hundra stapt af en neemt het voortouw. Ze spreekt één van de wachters aan. Mijn vermoeden is correct. Het zijn elven. Hundra spreekt ze echter aan in common maar de elven, blijkbaar kunnen ze niet anders, spreken haar weer aan in hun eigen taal. Een werkelijk prachtige spraakverwarring is ons deel. Voor hen die wél de elventaal spreken was het zelfs uiterst lachwekkend.

Gelukkig grijpt Ann in. Tharilith en ik lachen nog een tijdje na. Ann meldt dat Hundra geen elventaal spreekt en verontschuldigt zich hiervoor. Dan de vraag waar we met de rijdieren naar toe moeten. Hier, buiten de poort is het antwoord. We laten onze rijdieren staan en lopen allemaal de trap op. Achter ons aan een gevolg van een stuk of tien wachters … oeh, onder geleide naar boven.

Bovenaan de trap worden we verwelkomt door twee elven in witte robes. Ze spreken ons aan in common en elventaal. Hoera roept Hundra, ik kan ook de elventaal. Nee, … uitleggen heeft geen zin bedenk ik me. We worden door de twee elven naar een open ruimte geleid waar we kunnen rusten en in bad kunnen. Eten en drinken is er in overvloed en Hundra stort zich op de mede, de dadels en de perzikken. Het valt ons wel op dat hier, pal boven de stad, altijd een 'zon' is. We vermoeden dat dit op magische manier gemaakt is … 'echte' elven kunnen dat zeg ik nog grappend tegen Tharilith. Ze weet de grap te waarderen.

Hier rusten we wat, we bespreken de stand van zaken, verschonen onze kledij en uitrusting maar bovenal doen we ons tegoed aan allerlei lekkernijen die er voor ons staan.

(Dag 11) 18e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Klaar om te gaan maar ... waar heen?

Na een goed ontbijt komen dezelfde twee elven weer om te vragen of we gereed zijn om te gaan. Te gaan? … naar de Mijnen. Uiteraard. We pakken onze spullen en we lopen door de enorme elvenstad. Dan komen we aan op een groot plein waar een groot gebouw staat. Hier worden we naar binnen geleid.

Het interieur van dit gebouw bestaat geheel uit hout. Het lijkt wel of het gemis aan bomen buiten de stad hier, in dit gebouw alleen, gecompenseerd moet worden. Indrukwekkend, ik kan niet anders zeggen. De leven noemen het een bibliotheek. Er staan inderdaad een heel groot aantal boeken maar dat is niet het enige. Ook staan er vele urnen op de planken, helmen, wapens en nog veel meer. Ik kijk mijn ogen uit.

Dan, gezien ik met mijn gedachten heel ergens anders ben, hoor ik een krasse stem. Ik kijk in de richting van de stem en ik zie een oude, hele oude elf met de anderen praten. Ze zijn iets verder doorgelopen en ik sluit me snel weer aan bij de groep.

De oude elf blijkt 'de Meester' te zijn en ik hoor nog net zijn woorden “… klaar om het object te halen”. De andere twee elven vertalen het even voor de minder geletterden onder ons. We zeggen dat we klaar zijn hoewel ik denk dat we niet weten waar we klaar voor moeten zijn. Ik heb echt geen idee van wat er ons te gebeuren staat. We volgen 'de Meester' door een aantal gangen totdat we uitkomen bij een groot stenen altaar. Hier houden we halt. 'De Meester' spreekt een aantal, voor mij, onverstaanbare en begrijpelijke woorden. Ik vermoed dat het magische woorden zijn en zet me schrap, wachtend op wat er gebeuren gaat. En … we staan in een bos. Wel ja … weer een dampig, zompig en vochtig bos. Waarom wilde ik eigenlijk avonturier worden? Laten we er het beste maar weer van maken.

Als we zo om ons heen kijken zien we niets bekends. Geen bekende bomen, geen bekende dieren, geen bekende bloemen … helemaal niets bekends. Het ziet ernaar uit dat alles wat hier leeft buiten proportioneel gegroeid is. Of zijn wij gekrompen? Verdorie … het is toch niet zo dat 'de Meester' het verprutst heeft en dat hij perongeluk de verkeerde spreuk heeft gebruikt? Het zal toch niet … Toch? Maar als we wat beter kijken zien we ook dat de lucht totaal oranje is. Ik ga er maar van uit dat het een geheel andere 'plane' is waar we nu zijn. Dat verklaart tenminste ook de uit de kluiten gewassen insecten.

Ik draai me eens even om als Hundra al over een wildspoor is weggelopen van de groep. Ik zie daar een altaar staan en begrijp de link van het altaar in de kamer van 'de Meester'. Dit altaar zal het teleportatiemiddel zijn. Op het altaar zie ik een staf liggen met een pulserend, oranjekleurig ei eraan. Ik neem de staf maar mee want het lijkt mij niet verstandig deze te laten liggen. Als er iemand is die het weghaalt, komen we misschien niet meer van deze 'plane' af. Hoe oncomfortabel zal dat wel niet zijn? Vastzitten op een 'plane' waar je eigenlijk niet thuishoort. Ik moet er niet aan denken. Dan vervolg ook ik, en de anderen, het wildspoor achter Hundra aan.

Na een paar honderd meter lopen zien wij een soort van vallei. Helemaal groen, met in het midden, een wit, rond gebouwtje dat doet denken aan een tempeltje. Hundra neemt het ervan en we zien nog net dat ze, al rollend, de voet van de heuvel bereikt. De rest van de groep kijkt elkaar niets begrijpend aan als Hundra op staat en richting het gebouwtje loopt. Ik en Seebo besluiten ook de heuvel af te gaan maar wij doen het lopend. Na een meter of 10 lager te zijn dan Tharilith en Ann, horen we achter ons geschreeuw van de twee dames. We kijken om en zien dat er vreemde creaturen aankomen. Snel de heuvel weer op. Ik loop de mogelijkheden even door in m'n hoofd …

Boven staan Tharilith en Ann klaar om een aanval van de, op dwergen gelijkende, creaturen af te slaan. Dat gaat ze waarschijnlijk niet lukken want het zijn er veel … heel veel!! Ik bereid een power voor maar ook ik besef dat het eigenlijk niets zal uithalen tegen deze enorme overmacht. Waar komen deze creaturen vandaan en waarom zijn zij ons kwaad gezind? Mijn power werkt maar zoals ik al dacht het is een druppel die in een bijna volle regenton valt … het effect valt niet op. Ik zie achter me Hundra de heuvel op rennen … Het sterkt me dat ik haar zie maar ook met haar zwaard erbij, zal deze overmacht niet overwonnen worden. Maar dan zie ik een mogelijkheid … Hundra nadert en ik roep “DOORRENNEN HUNDRA, DOOR NAAR HET ALTAAR!!!” Hundra baant een weg door de creaturen heen en we volgen het pad dat Hundra maakt.

Bij het altaar aangekomen leg ik snel de staf in de uitsparing op het altaar … we staan weer bij het altaar van 'de Meester'. Geen vreemde creaturen meer … Met een paar wonden her en der bij deze en gene staan we om ons heen te kijken. Iedereen is er en iedereen leeft nog. Gelukkig maar. we worden weer teruggebracht naar ons kwartier waar we rustig kunnen bijkomen van de schrik. De elf die ons geleide doet vraagt aan ons of 'de Meester' de opdracht heeft vervult zoals gevraagd door onze opdrachtgever. Hundra meent van wel en wij, de rest, begrijpt de vraag niet helemaal. Te moe om te vragen wat de elf exact bedoelt laten we ons in de zetels zakken.

Er staan ransoenen voor ons klaar maar, helaas voor Hundra, er is geen mede. Een en ander zit mij en anderen niet lekker. Hundra vraagt haarzelf af hoe ze in godsnaam weer zoveel jaren terug moet. De rest weet niet wat Hundra daarmee bedoeld. “Ik heb gezien waar de bruidsschat, het Masker van Yaeh, lag,” vertelt Hundra “maar hoe gaan we die dan nu te pakken krijgen”? “We zijn teruggereisd in de tijd en weer teruggekomen. Wie zegt dat ik dat Masker nu nog kan vinden dan”? vraagt Hundra zich hardop af. Wij kijken elkaar aan … terug in de tijd, weer terug naar de huidige tijd … Masker van Yaeh … dit vraagt om een verklaring. Seebo en ik besluiten terug te gaan naar de bibliotheek om onze vragen beantwoord te krijgen. Maar hoe we ook lopen, we komen steeds weer terug bij ons kwartier. Er is geen andere mogelijkheid dan de stad uit te gaan en al onze vragen te laten voor wat ze zijn. Het zal wel duidelijk worden … We pakken onze spullen, de ransoenen die klaar staan en we verlaten Myrinant.

Buiten staat de groep emoes nog op ons te wachten. We knopen ze los, ik span de kar weer achter mijn emoe en we gaan in de richting van een woud. Volgens Hundra moeten we die kant op, oost. Hundra krijgt een soort van visioenen en die doen verschikkelijk veel pijn. Ik, met mijn kennis van het menselijk brein, begrijp al snel dat Hundra's brein deze gegevens amper kan verwerken. Dat is de oorzaak van de inmense pijnen. Zou je al de gegevens, die Hundra moet verwerken, loslaten op een brein van een rat dan valt deze ter plekke dood neer. Zo werken die dingen nou éénmaal. Een getrainde brein is toch maar een groot genot …

Als we bij de bossen komen moeten we noodgedwongen de emoes achterlaten. Het is niet te doen om met deze rijdieren en kar door de bossen te gaan. Een slechte aankoop bedenk ik me … 15 goud over de balk gegooid voor een kar die waardeloos blijkt te zijn. We geven de emoes de vrijheid en vervolgen onze weg in de richting die Hundra aangeeft.

Als we goed en wel een paar uur gelopen hebben, maken we kamp. Ik ga samen met Hundra hout zoeken voor het kampvuur. Als ik onder het sprokkelen om me heen kijk zie ik vanuit mijn ooghoek dat er een vreemd creatuur op mij af komt vliegen … ik slaak een gil en duik aan de kant. Het beestje mist mij op een haar na en treft Hundra vol in het gezicht. Hundra grijpt met twee handen het beestje en probeert het te wurgen, om zo het beestje te dwingen haar gezicht los te laten. Het creatuur bijt echter van zich af maar laat het gezicht van Hundra wel los. Met een ferme worp smijt Hundra het wezentje van haar af richting een boom. De opzet mislukt. Het beestje herpakt zich net voordat het de boom raakt en vliegt weer richting mij. Wanhopig probeer ik nog weg te duiken maar het is te laat.

“Missstresss, missstresss …” zegt het beestje als het op mijn schouder landt “… sssse heef duh hondun lossgelatun, ssse heef duh hondun lossgelatun” en nestelt zich tegen mijn nek. Hundra kijkt verbaasd naar mij als ik even mijn aandacht aan het creatuur schenk. “Wat heeft ze gedaan”? vraag ik nogmaals. “Ssse heef du hondun lossgelatun” herhaalt het beestje weer. “Ze heeft de honden losgelaten. Wie?” vraag ik het wezentje. “Ssse …” krijg ik als antwoord. Ik meld Hundra dat het wezentje ons ergens voor komt waarschuwen en dat 'Ze' de honden heeft losgelaten. Dan horen we vanuit het kampement geschreeuw … we zetten het op een lopen richting het kamp.

Er is een gevecht gaande tussen een aantal grote, vreemdsoortige honden (Howlers) met stekels gelijkend op die van een groot stekelvarken. Hundra klieft één van de 'honden' in één klap doormidden. Dat is één! roept Hundra en versnelt haar pas in de richting van een tweede en derde. Na een korte tijd is het kampement weer veilig en bestuderen we de dode 'honden'. Vreemde gedrochten dat is zeker maar verder negeren we de kadavers. We lappen de gewonden op en we zetten wachten. Tijdens mijn wacht houd ik het kleine wezentje in de gaten. Het fladdert wat heen en weer en gaat uiteindelijk op een tak in een boom zitten. Ik kan niet loslaten dat dit kleine wezentje, wat het ook moge zijn, ons heeft gewaarschuwd. Wie is die 'Ze' eigenlijk? …

Na het wisselen van de wacht, val ik als een blok in slaap.

(Dag 12) 19e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

12.000 jaar in één dag, dat doen we netjes!

De volgende ochtend, na de kopjes warme thee en een hapje brood, gaan we weer op pad. Het wezentje fladdert op uit de tak en landt op m'n schouder. “Missstress” zegt het op een, naar mijn idee, iets te weemoedige manier. We lopen achter elkaar aan, Hundra voorop. Dan valt ons op dat er her en der stenen liggen. Ik probeer linken te leggen. “Hey dames … en heer, wacht eens” zeg ik. De groep stopt. Ik kijk om me heen en loop naar de stenen. Ze zien er te strak uit voor natuurlijke stenen, ze zijn gemaakt, gehakt uit rots. “… Da's vreemd”, zeg ik tegen de rest “dit zijn niet natuurlijke vormen”. Ik probeer me het beeld van gisteren terug te halen, het beeld van 12.000 jaar geleden. En het lukt me zelfs om me nu te oriënteren. “Hier moet ergens dat altaar gestaan hebben …” is mijn mededeling naar de groep. Ook de rest ziet enkele, doch wazige gelijkenissen.

Na een tijdje vind Ann zelfs het oranjeachtige, voorheen pulzerende, ei dat op de staf zat die op het altaar lag. Ze laat het zien en steekt het in haar rugzak. En opeens spreekt het wezentje tegen mij “Missstress weg, ssse komun, ssse komun. Ssssteekuhbeesjus, ssssteekuhbeesjus … fheel, heel fheel. Missstresss”. Ik waarschuw de rest dat we moeten gaan omdat er onraad komt. Maar we zien al een vreemdsoortig grote hommel landen op een tak schuin voor ons. En nog één naast ons en nog één daar weer naast. We zetten het op een lopen. Steeds meer van deze vreemde hommels landen her en der om ons heen. Ik tel er in de gauwigheid een stuk of tien, twaalf.

Dan vallen de beesten aan. Van links, van rechts, van voor en van achteren. Van alle kanten komen ze op ons af. Tharilith wordt vol getroffen door een angel van een van de beesten en valt naar de grond. Gelukkig herpakt ze haar zelf en komt weer overeind. Ook Hundra wordt geraakt. Seebo, Ann en ik weten de dans te ontspringen. Ik gooi een power op één van de wezens en met een doffe 'PLOF' ploft het uit elkaar. De smurrie uit het lichaam landt over de takken en het mos. Hundra slaat met ferme zwaaien enkele beesten uit de lucht en ook Tharilith doodt haar aanvaller met een welgemikte klief van haar zwaard. Na enkele minuten geven de overgebleven hommels het op en ze vluchten naar alle kanten.

Ook wij besluiten het strijdtoneel te verlaten in dezelfde snelheid als voorheen. Weg van deze plek van onheil, in de richting van de heuvel van 12.000 jaar geleden. “Daar moet de heuvel zijn vanaf waar ik de zeven heuvelen kan zien” zegt Hundra ons. Echter, als we bijna op de plek van de heuvel zijn, vallen we zowat in een diep ravijn. -Vreemd, dit stuk ken ik niet van 12.000 jaar geleden- denk ik. “We moeten daarheen”, zegt Hundra als ze naar het oosten wijst “maar het grote ravijn doorkruist ons pad”. Het ravijn is diep, heel diep en iedereen binnen de groep weet dat zonder ervaring een afdaling aan touwen te riskant is. Dan ziet Seebo naar het oosten een stuk van een brug. We gaan richting de kapotte brug.

Bij de brug aangekomen zien we aan de andere kant een gelijksoortig stuk brug maar … de brug is nooit afgebouwd zo lijkt het. Het grote gat in het midden van 'de brug' is te netjes, te recht om kapot te zijn gegooit/ gemaakt. Wie begint er nou aan twee kanten een brug te bouwen en maakt die vervolgens nooit af? Of anders gesteld WAAROM is deze brug nooit afgemaakt? Die vraag lijkt me beter. Ann heeft een trucje. Ze loopt naar het eind van het bestaande deel van de brug, murmelt wat en gooit met iets van zand. Het zand valt loodrecht naar beneden. “Geen onzichtbare brug” zegt Ann. -Ja- denk ik -waarom moet je daar iets voor murmeren dan? Zand strooien lijkt me voldoende-.

Dan hoor ik een pijnlijke kreet van Hundra en draai me snel om. Ik zie dat ze haar hoofd vast heeft gegrepen, ze heeft weer een visioen. Aandachtig maar met heftige pijnen zoekt ze de omgeving af. “Daar, daar in het ravijn. Daar moeten we heen” zegt Hundra en wijst oost naar de bodem van het ravijn. -Wel ja, hoe komen we daar nou- denk ik. Ik draai me weer eens om en kijk richting de bosrand. Niets te zien waarmee wij naar beneden kunnen. Geen schuurtje, geen takels die bestemd kunnen zijn voor het bouwen van de brug. De moed zakt me bijna in de schoenen als ik, achter me, opgelaten stemmen van mijn groepsgenoten hoor.

In het onafgebouwde, uitstekende deel van de brug, zitten ramen. Dat betekent dat dit een 'gebouw' is. Vreemdsoortig, dat wel maar het is een gebouw. Snel gaan alle groepsleden op zoek naar de ingang. Een deur, een poort, een luik … we weten niet wat we moeten zoeken maar er moet een ingang zijn. Ik ga zoeken naar een luik. Dat lijkt me in deze het meest logische, we moeten tenslotte naar beneden. En ja hoor, uiteindelijk vinden we een steen met gravures in een vreemd patroon. De gravures zijn niet te lezen, het is in een zeer oude taal geschreven concluderen Ann, Seebo en ik. Seebo ziet getallen, Ann heeft het steeds over 'iets groens' … ik zie meer in het verhaal: wellicht een combinatie van beide. Met z'n drieën zitten we een tijdje te puzzelen maar ik zie geen mogelijkheden. Ik ga naar Hundra en Tharilith die een pot thee aan het zetten zijn. Als de thee klaar is komen ook Seebo en Ann.

Na de thee vraag ik aan Hundra of ze mee gaat hout sprokkelen. Alsdus geschiede. Als we sprokkelen, vertel ik Hundra dat het misschien een leuk idee is om voor Ann een bezem te maken. Ze wil zo graag een bezem … Hundra vindt het een pracht idee en naast het sprokkelen van brandhout zoeken we twijgen voor de bezem van Ann. Als we de eerste lading brandhout naar het kampement brengen, zitten Sebbo en Ann weer bij de steen met de gravures. Snel pak ik de staf van Ann … die hebben we nodig. De staf kan dienen als steel voor de bezem. We gaan het bos weer in. Ik hou me bezig met de bezem voor Ann en Hundra gaat in de buurt jagen. Als Hundra terugkomt met twee konijnen en een aantal eieren voor het avondeten, ben ik klaar met de bezem voor Ann. We zetten deze achter een boom vlak bij ons kamp.

Als we het kampement inlopen horen we dat Ann de toegang naar, vermoedelijk, het 'gebouw' heeft geopend. Dat is goed nieuws. We kijken door de opening en we zien een soort hellinkje naar beneden. We besluiten dat we er nu niet ingaan maar dat we dat morgen doen. We maken nu kamp, gaan eten (onderwijl geven we Ann haar bezem en oh wat is ze blij!) en slapen. Dat is een verstandig besluit voor zover we nu kunnen nagaan. Echter …

(Dag 13) 20e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Brug of gebouw? Geen idee maar het ravijn is diep ... dat is zeker!!

Tijdens de wacht van Seebo, heel vroeg in de ochtend, horen we een ijzelijke gil. Iedereen, behalve Ann, schrikt wakker. We zien Seebo verschrikt staan in de buurt van de brug. Snel gaan we naar hem toe. “Wat is er gebeurd”? vragen we Seebo. Hij zegt ons dat Hundra blind het ravijn in is gerend … “en dat is vreemd” zo voegt hij eraan toe “want de brug was toch écht heel”. Ik zeg Seebo dat de brug de gehele tijd NIET heel is geweest, vanaf het begin dat we hier aankwamen. Daarnaast waren we het er over eens dat het geen brug is maar een vreemd gebouw in een rotswand én … alle aanwijzingen gaan ook in die richting. We beseffen dat we voor Hundra niets meer kunnen betekenen en gaan, met pijn in ons hart weer naar het kamp. Seebo blijft verbaasd en alleen achter. Ik heb toch echt twijfels over de geestgesteldheid van Seebo. Is hij verdwaald in een illusie van hemzelf? Zijn er occulte machten die trucjes met zijn brein uithalen? Hoe heeft dit kunnen gebeuren.

Als we aankomen in het kampement, is ook Ann weg. Een sleepspoor vanaf de plek waar Ann sliep … Tharilith en ik volgen het spoor en het eindigd bij de rand van het ravijn. Geschrokken kijkt Tharilith mij aan. “Wat is dit, wat gebeurt hier” stamelt ze. Ik heb echt geen idee en probeer mijn gedachten op de rij te krijgen. “… verdorie, Seebo …”, zeg ik tegen Tharilith “die staat nog alleen bij de afgrond”. We zetten een sprint in richting de plek waar Seebo stond. We treffen hem niet meer aan. “Wat er vanaf nu ook gebeurt Tharilith … we blijven bij elkaar” zeg ik. Mijn gedachten gaan als een dolle maar ik krijg er even geen structuur in. -Wat kan hier gebeurd zijn? … wat gebeurt hier? … wie is/ zijn hiervoor verantwoordelijk? … van welke kant komt het gevaar? … wat NU te doen?- Ik moet structuur gaan krijgen in mijn gedachten. Ik begin met mijn laatste vraag.

“We gaan nu naar het kampement en pakken daar alle waardevolle en bruikbare zaken voor het vervolg van onze reis” zeg ik tegen Tharilith. Ze knikt instemmend. In het kamp pakken we het spreukenboek van Seebo. Het oranje ei, het amulet en de spellcomponent pouch van Ann en onze eigen spullen. We gaan de helling af, van de gevonden doorgang gisteren, het gebouw in. We volgen een aantal gangen totdat we in een grote, goed verlichte ruimte komen. In deze ruimte staat een hele grote tafel en staan ernorm veel boeken. Het is een bibliotheek. Een vreemde plek om een bibliotheek te hebben maar goed …

Deze goed verlichte bibliotheek heeft een aantal enorm grote ramen waardoor het daglicht naar binnen valt. Als we naar buiten kijken zien we een aantal vreemde zakken voor de ramen hangen. Een enkele beweegt zelfs. Tharilith meent dat hier onze ander groepsgenoten in zitten. Ik twijfel hier aan. Maar goed, hoe denk je bij die zakken te komen dan? Tharilth pakt haar boog en poogt de ramen door te schieten. Het lijkt wel of er een soort van onzichtbare barriëre voor de ramen hangt. We raken de ramen niet.

Gezien mijn twijfels leg ik Tharilith het volgende voor: “stel, we komen bij die zakken … hoe weten we dan of onze groepsgenoten erin zitten? Snijden we de zakken open? En dan blijkt dat het niet onze groepsgenoten zijn maar een vreemdsoortig wezen dat het op ons voorzien heeft … dan zijn wij ook de klos hè!”. “Daar zit ook wel wat in” zegt Tharilith “maar hoe komen we er dan achter”? “Dat is van latere zorg. Laten we eerst verder gaan. Wellicht dat er nog aanwijzingen komen waar we wat mee kunnen en die een en ander uitsluiten of bevestigen” zeg ik als ik richting de ingang/ uitgang van de kamer loop. Gezamelijk verlaten wij de bibliotheek en gaan een gang in verder naar beneden. Totdat we op een gegeven ogenblik een soort van 'tikken' op de vloer horen. We kijken elkaar aan. “… terug richting de bibliotheek” zeg ik als ik me omdraai om de weg terug te gaan.

We vluchten de bibliotheek in en sluiten de deur. Hijgend en puffend zoeken we een andere uitweg dan de deur. Die is er niet. Weer trekken de zakken onze aandacht. “De deur door, … de weg terug naar buiten …” zeg ik snakkend naar adem tegen Tharilith. “Maar die beesten dan … die door de gang naar ons toe komen” vraagt ze bezorgd. “Geen andere keus … wie weet zijn het niet eens beesten … die het op ons voorzien hebben …” zeg ik als ik de deur open trek klaar om de gang in te rennen terug naar de uitgang/ ingang. -En nu maar hopen dat de uitgang niet dicht is- denk ik als ik de gang opren. Na enkele minuten staan we hijgend en puffend in de buitenlucht. De spullen die we in het kampement hebben achtergelaten liggen er nog net zo bij. Eerst even op adem komen en dan onze acties vervolgen.

Als we weer enigzins zijn bijgekomen, besluiten we naar de plek te gaan waar we van bovenaf de zakken kunnen zien hangen. We liggen op onze buik en kijken naar beneden het ravijn in en zien duidelijk de zakken hangen. Dan hoort Tharilith hetzelfde tikkende geluid dat we ook in de gang hoorden … “achter ons” roept ze. Ik draai me snel op mijn rug en zie twee enorme spinnen … -Dit is ons einde- denk ik. Snel gooi ik een versterkte power richting één van de spinnen. Het weerstaat mijn krachten. Ze naderen ons. Wéér een versterkte power en weer weerstaat het beest mijn krachten. En weer komen ze dichterbij. Zittend schuif ik mezelf richting de afgrond, onderwijl achter me kijkend waar de afgrond precies begint. Ik geef de moed op en bemerk dat ik bereid ben om, als puntje bij paaltje komt, de afgrond in te gaan …

Dan horen we van achter de spinnen een vreemde stem. De woorden, de zinnen zijn in een taal die ik niet spreek. De spinnen maken ruimte voor de persoon en laten ons met rust. Nogmaals de afgrond inkijkend, verbaasd over mijn intenties de afgrond in te gaan, herpak in mezelf … ik kijk naar de persoon die aankomt lopen.

Het is een man in groene kledij en hij heeft een staf. Voor zijn ogen is een lap gebonden waardoor ik het vermoeden krijg dat de man blind is. Tharilith spreekt de man aan en vraagt zijn naam. “Isoldur de Groene” spreekt hij. “Dank Isoldur, voor het redden van ons leven” zegt Tharilith. Ook ik bedank hem. Hij vraagt ons wat we hier doen. We vertellen hem dat we op reis zijn met een opdracht. We vertellen dat we onze vrienden hier veloren zijn en dat we vermoeden dat zij hier, ik wijs naar beneden, hangen in de zakken. Isoldur helpt ons de zakken naar boven te krijgen. Wonderwel zijn het onze vrienden. Wij geven Ann en Seebo de spullen die we van hen hebben en gaan naar het lege kampement. We zetten thee en praten bij over de gebeurtenissen.

Hundra vertelt aan Isoldur dat we het ravijn in moeten voor onze opdracht maar dat wij allen geen idee hebben over hoe daar op een veilige manier te komen. Isoldur weet een oplossing en is zelfs bereid met ons mee te reizen. Na de thee laat Isoldur ons zijn idee zien. Het is de bedoeling dat we met een aantal lianen een mandje maken en dat we met behulp van een aantal ballonplanten de afdaling maken naar de bodem van het ravijn. Ik zie toch geen andere mogelijkheid dus deze oplossing is net zo goed als elke andere … we gaan, ieder voor zich, een mandje maken. We knopen hier een aantal ballonplanten aan en wonder boven wonder … het ziet er redelijk betrouwbaar uit.

Hundra neemt als eerste de sprong over de rand van het ravijn dan volg ik, dan de rest. Het is een relatief rustig tochtje naar beneden hoewel het genieten van het uitzicht er niet echt bij is. Druk met sturen en het soms wegvallen van termiek houdt je meer bezig dan om je heen kijken. We landen veilig en wel op de bodem van het ravijn en relatief dicht bij elkaar. Snel is de groep, inclusief Isoldur, herenigd. We gaan in de richting die Hundra gisteren heeft aangewezen.

De bodem van het ravijn is dichtbegroeid met varens. Hundra baant een weg door de varens heen. Onderwijl passeren we een enorm standbeeld dat tot onze grote schrik in beweging komt. “Rennen” gilt Hundra en sprint weg. Dat lijkt mij geen slecht idee en volg het voorbeeld van Hundra niet wetende wat er achter me gebeurd. Wel hoor ik een aantal kreten en donderslagen. Ik vermoed dat Isoldur een aantal spreuken gooit en het standbeeld morres leert. Als we aan de rand van het beboste gedeelte halthouden en op adem komen, zien we ook Seebo en de rest aankomen. Isoldur is er niet bij. Van Seebo horen we dat hij het leven heeft gelaten in het gevecht met het beeld.

We betreuren het verlies van Isoldur de Groene maar we moeten verder. We staan nog in de bosrand en een kleine 50 meter verderop staat een vervallen muur. De muur heeft duidelijk een ruimte waar eens een poort moet hebben gezeten. De boog van de poort in de muur is, hoewel deels ingestort, duidelijk zichtbaar. Naast de opening waar eens een poort zou moeten hebben gezeten, staan aan weerszijde een boom. Tussen ons, wij in de bosrand, en de muur is een kale vlakte. We besluiten om richting de poort te gaan. Als ik als eerste ga en ongeveer op 20 meter van de muur ben, schieten wortels uit de grond en grijpen me vast. Seebo, die dit alles ziet gebeuren waarschuwd Hundra. Echter zij hoort Seebo niet.

Na een tweetal minuten zie ik Hundra de vlakte oprennen en ook zij wordt gegrepen. Maar ze gaat door hakkend en zwaaiend met haar zwaard. Ik heb ondertussen mijn grote mes getrokken en ook ik hak woest om me heen. Uiteindelijk bereiken Hundra en ik samen de boom. Hundra roept naar me dat ze boven in de boom haar zwaard wil planten. Ik begrijp wat ze wil en sla mijn grote mes vast in de boom. “Die kan als opstapje dienen” roep ik Hundra toe. Met een behendige sprong staat ze op het blad van mijn mes en plant haar zwaard diep in de boom. We zien de wortels terugtrekken en de takken gaan slap hangen. Deze hebben we overwonnen. Nu de tweede nog?

Dan als het wat rustiger is, komen ook Seebo, Tharilith en Ann. Als we allen weer verenigd zijn zegt Hundra “op 3 gaan we. 1 … 2 …3” en ze zet het op een lopen. Ik volg en ook Tharilth ziet de voordelen van een snelle sprint. Ann en Seebo blijven nog staan treuzelen. Ja, dan moet je het zelf maar weten. Na weer een kleine sprint houden we halt onder een tweede boog. Dan komen ook Seebo en Ann. Vanuit hier gaan we met z'n allen door een soort van doolhof van gangen. Totdat we in een soort van kamer komen waar veel begroeïng is.

Hundra en Tharilith gaan naar binnen en worden gegrepen door lianen. Seebo gaat met Ann in overleg om te kijken wat zij kunnen doen. Ik pak mijn dolk en mijn grote mes om, mocht de nood aan de man komen, ik me kan verdedigen. Ik kan niet naar binnen want de wonden die ik heb opgelopen door het gevecht met de boom eerder deze dag zijn er te veel. Ik vrees dat ik nog een gevecht niet ga overleven. Seebo en Ann besluiten een flesje olie de kamer in te gooien. De uitwerking van deze actie is precies als ze gepland hadden. De lianen trekken terug en een waar slagveld wordt ontbloot. Her en der liggen een groot aantal lijken. Alle helmen, harnassen en wapens zijn verroest. We doorzoeken de spullen en ik vind 8 flesjes met vermoedelijk potions en een spreukenboek. Het boek heeft een leren kaft dat groenachtige kleur heeft.

Zo vindt iedereen wel iets en we nemen het mee. Als we op een, naar ons idee, veilige plek zijn besluiten we kamp te maken. Tijd om onze wonden te verzorgen, te eten en te slapen.

(Dag 14) 21e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Zoals altijd moet de juf weer ingrijpen tijdens het speelkwartier

Als ik 's ochtends wakker word voel ik me kiplekker (off game: we zijn level up!). Ik zie dat er thee is en ik pak een stuk brood uit mijn rugzak. Met mijn voetjes nog lekker in m'n dekentje eet ik mijn broodje en geniet van het warme napje thee … wat kan het leven, hoe eenvoudig dan ook, toch mooi zijn.

Na het ontbijt pakken we onze spullen op en we vertrekken in de richting die Hundra aangeeft. Ik hou, voor zover mogelijk, de kaart bij en dat lukt me aardig. Uiteindelijk komen we bij een hekje aan. -Vreemd, een hek in een gang onder de grond …- Het is geen hek dat je zou verwachten, alsin een zwaar robuust valhek dat ik wel vaker heb gezien bij vestingwerken of steden, maar een mooi gesmeed hek met iets wat op dun gevlochten metaal lijkt. Aan de blikken van mijn groepsgenoten te zien zijn ook zij verbaasd over dit soort smeedwerk in een ondergronds gangenstelsel.

Als Hundra het hek probeert te openen, blijkbaar moeten we door het hek, hoor ik Ann een spreuk gooien. In een luttele seconde zit het hek, Hundra's arm en de vloer voor en achter het hek onder een dikke laag slijm. -Wat is dit nou weer voor flauwekul- vraag ik me af als ik ook Seebo op de achtergrond een spreuk hoor doen. Dan zie ik dat Seebo mijn veters aan die van Hundra probeert te knopen en ik, evenals Hundra, roepen de kleuter tot de orde. We melden Seebo dat dit geen grapjes zijn én dat dit soort stupide acties wel eens heel nadelige gevolgen kan hebben … ook voor hem.

Het hek wordt geopend en Hundra stapt, al glijdend, de ruimte in achter het hek. Ze loopt een stuk de ruimte in en meldt ons dat er drie hopen met stenen liggen. -Drie hopen steen. Zullen het graven zijn?- vraag ik mezelf af, -… dat zou het hek ook verklaren. Vreemd dat ik hier geen bordje of schildje zie …-. Zo laat ik mijn gedachten even de vrije loop al zoekend naar een bordje. Ik vertrouw het gewoon weg niet en besluit dat ik maar eens wacht op wat Hundra verder te melden heeft.

Dan horen we geluid uit de ruimte komen van schuivende stenen. -Daar zul je de ellende hebben- bedenk ik me en zie dat Seebo én Ann net glibberend en glijdend ook de ruimte ingaan. “Cave in” hoor ik Hundra roepen “snel deze kant op”. Maar ik ben niet geheel achterlijk en Tharilith evenmin. “Dat lawaai van die 'cave in' komt uit de ruimte waar jij bent dus … ik zou snel naar ons komen” roep ik Hundra toe. En dan zie ik het gevaar waar ik al bang voor was. De drie hopen steen komen tot leven en staan vlakbij Ann en Seebo. Gelukkig voor Hundra … zij staat iets verder bij de bewegende hopen steen vandaan.

Ann kiest de aanval en Seebo wil snel terug naar ons. Ik realiseer me dat het hek, eerst gesloten, nu nog open staat. -Het heeft vast verband met elkaar. Het hek gaat open en de stenen komen tot leven … hek dicht, stenen worden/ blijven rustig- zo beredeneer ik en besluit mijn gedachtegang op waarheid te testen. “Klik” (aldus het hek). Seebo komt glibberend en glijdend richting ons en klapt met volle vaart tegen het hek. -Hmmm, nee de stenen blijven bewegen … geen verband dus-. Tharilith besluit het hek eruit te trappen … oewww denk aan Seebo!

Met een “TWANG” (van het gevlochten gaas) schiet het been van Tharilith door het hek. Ze raakt Seebo, en het hek geeft mee in de richting die Tharilith bedoeld heeft. Seebo vliegt een eind de ruimte in. Ook Tharilith, al huppelend, glijdend en glibberend moet het hek volgen … haar been zit vast in het vlechtwerk. -Dat wordt een nare wond- realiseer ik me.

Ann en Hundra zijn ondertussen in gevecht met de hopen steen en ook Seebo weet een steenhoop te raken. Tharilith haalt haar been terug uit het hek en heftig bloedend gaat ook zij de ruimte in. Geschreeuw van Ann, die wordt namelijk flink geraakt. Ook verder naar achteren in de kamer hoor ik Hundra die af en toe een schreeuw van pijn en, vermoedelijk, angst over haar lippen laat gaan. Tharilith staat bij Seebo en Ann.

Ik besluit dat het speelkwartier voorbij is. Ik laad me op om een verzwaarde mentale power los te laten op de hoop steen bij Ann, Seebo en Tharilith. Na een paar tellen ontplooien zich de rauwe krachten van mijn mind thrust op de hoop bewegende stenen. Als aan de grond genageld blijft deze hoop staan. -Goed zo, stenen bewegen niet!- en bereid me voor op de hoop stenen bij Hundra. -Ook hier zal een verzwaarde mind thrust haar werk wel doen- meen ik en duik terug in mijn psyche. Na een kort moment van concentratie treft ook deze mind thrust doel en Hundra kan zonder enig probleem deze hoop stenen te gronde richten. -Perfect … stenen horen te liggen. Op de grond!- en zet mijn zinnen op de derde hoop. Hiervoor moet ik echter de ruimte in. Glibberend en glijdend ga ik door het hek de ruimte in.

Tharilith, Ann en Seebo zijn al verder de ruimte in gegaan en staan bij Hundra. Tharilith duikt een hoek om en gaat in gevecht met de stenen. Hundra kijkt ietwat verbaasd naar mij als ik, voor de derde keer, mijn krachten loslaat op de derde en laatste hoop stenen. Ik zie Tharilith in gevecht, Ann die ergens een gang in de gaten houdt en Seebo die bij een hek probeert te komen achter de laatste hoop stenen. Echter mijn power treft deze keer geen doel en de hoop stenen grijnst naar me. -Dat komt vast niet goed- bedenk ik me -iets wat grijnst is meestal niet vriendelijk en voert meer in z'n schild-. Ik denk dat ik de volgende in de rij ben die klappen gaat krijgen.

Gelukkig duikt Hundra ook in het feestgedruis en legt de hoop stenen, voorlopig het zwijgen op. Even rust, even consolideren … Hundra loopt naar het hek en probeert het met alle kracht te openen. Dan, vermoedelijk door haar verwondingen en overmatig bloedverlies, stort Hundra ter aarde. Het hek blijft gesloten. -Niet goed- denk ik en ook Ann meent dat een verbandje aanleggen nu wel het minste is wat ze kan doen voor Hundra. Snel wordt Hundra door Tharilith opgetild en verlaten we allen de ruimte via een andere weg dan door het hek.

Na een paar bochten en splitsingen komen we aan bij een grote houten poort. Ann opent deze en we zien aan de andere kant van de poort een vlakte met geel, dor gras. In de verte een aantal verlaten en vergane gebouwen. We gaan de vlakte op en laten een aantal stenen tussen de poortopening liggen zodat deze niet dicht kan vallen. Aan deze kant van de poort, op de vlakte, zien we geen mogelijkheid om de poort te openen dus moeten we goede voorzorgsmaatregelen treffen in de vorm van stenen. Triviaal hè, de ene stapel stenen kan je de dood injagen en de andere stapel kan je het leven veilig stellen. Prachtig!

Hier op de vlakte wordt Hundra verder en beter bekeken door Ann en zij vermoedt dat er gif in het spel is. Ze tekent een pentagram op de grond, pakt kaarsen uit haar rugzak en ontkleed haar. Ze vraagt of wij dit ook willen doen. “Nee, ik ben me daar gek zeg” is mijn antwoord. Ann zegt dat ze een heksengroep nodig heeft om om Hundra te dansen die nu in het pentagram ligt. “Ik ben geen heks en zal het nooit worden ook” meld ik Ann. “Daarnaast geloof ik niet in die occulte jabadaba of in een satanische sekte die 'heksenkring' heet. Occulte jabadaba en heksenkringen stroken niet met welke vorm van logica dan ook maar. Als je in je blootje een dansje wil doen, prima maar ik doe daar niet aan mee” zeg ik als ik wegloop om een paar meter verderop het gênante ritueel gade te slaan.

Na verloop van tijd is Ann wel klaar met de rite en besluiten we hier de nacht door te brengen. Een eind van het kampement verwijderd wordt door Ann en Seebo geprobeert of spreuken hier wél werken. De wachten worden verdeeld en als het mijn beurt is om te gaan slapen val ik als een blok in slaap, moe en uitgeput van de mentale inspanningen die ik deze middag heb moeten leveren. Het voelt wel goed dat de groep veilig is en dat iedereen nog leeft.

-… dat hebben ze wel aan mij te danken. Al zullen ze dat nooit toegeven natuurlijk- is mijn laatste gedachte als ik met een glimlach op mijn mond in slaap val.

(Dag 15 en 16) 22e en 23e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Een paar dagen rust doet de mens goed

De volgende ochtend word ik wakker en ik zie dat Hundra nog steeds in het pentagram ligt en dat Ann wiegend aan haar hoofdeinde zit. Ik besluit eens te gaan kijken bij de dames. Ann is volledig in trance en merkt niet dat ik een deken over haar rug leg. -De schat- denk ik als ik haar naakte lichaam bedek met de deken. Bij Hundra zie ik geen verschil met gisteravond. Als dat allemaal maar goed komt.

Ik maak wat thee en neem een stukje brood. Na mijn ontbijt loop ik eens een stukje de vlakte op richting de geruïneerde huisjes. Er is werkelijk niets van heel behalve dan een enkele muur die nog staat. Ik laat de ruïnes voor wat ze zijn en loop een klein stukje verder. Het doet me goed dit korte wandelingetje in de ochtend en na een half uur ben ik weer terug bij het kampement.

Voor de rest van de dag neem ik de zorg voor Ann op me maar ik zie dat ze haar eten laat staan en ook haar drinken laat ze onaangeroerd.

Als 's avonds het kampvuur brandt, besluit ik een power over het pentagram te gooien. Het pentagram met Hundra en Ann zijn nu onzichtbaar voor de buitenwereld en ze zitten daar veilig en in elk geval iets warmer. Hopen dat morgen alles beter gaat. In de nacht gooi ik nog een aantal keren de beschermende power. Morgen zullen we nog wel niet vertrekken.

Bij het ochtend gloren zie ik Ann en Hundra nog niet. Mijn power heeft nog effect. Dan na een uurtje zie ik de wazige contouren van Ann en Hundra ontstaan. Hundra zit … dat is een goed teken.

We besluiten deze dag nog rust te nemen zodat Hundra verder kan aansterken. De dag brengen we door met rust en ik maak nog een wandelingetje. Ook Seebo gaat aan de wandel. Hij gaat naar de poort waar we door gekomen zijn. Vanaf deze afstand zien we duidelijk meerdere poorten dan alleen die ene waar wij door gekomen zijn. Seebo gaat op onderzoek uit.

Ik zie dat hij enkele poorten opent behalve de laatste. Bij terugkomst meldt hij dat de laatste gesloten is. We zien het morgen allemaal wel zeg ik tegen Seebo.

Later op de avond, na het avondeten, worden er wachten gezet en als ik mag slapen val ik weer als een blok in slaap.

(Dag 17) 24e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Wie is hier nou de grootste koe?

Als we de volgende ochtend wakker worden zien we Hundra al staan. Ze staat te trappelen om weer op pad te gaan. Dat is de Hundra die ik ken. Ik vraag haar hoe ze zich voelt. Goed is het antwoord en gelijk daar achteraan de vraag waar gaan we naar toe? Nou, dat zou jij moeten weten zeg ik haar als ik mijn thee inschenk. Ze roept weer een visioen op en na een paar keer heen en weer draaien met haar hoofd zegt ze richting de poorten. Na het ontbijt pakken we onze spullen en gaan op pad.

We moeten door de tweede poort. De eerste zijn we door naar buiten gekomen, de tweede moeten we weer naar binnen en, zo meldt Seebo, de vierde zit op slot. We gaan de tweede poort in, voorzichtig want we weten niet wat we moeten verwachten. De gang gaat zuid en we volgen de gang oost, west en dan weer noord. Totdat we bij een vreemd schouwspel komen.

Op de grond ligt een kapot beeld, gelijkend op het beeld dat we, toen nog, met Isoldur zijn tegengekomen. Het beeld heeft een opengereten borstkas. In de borstkas zit een deurtje. Seebo gaat dat verder onderzoeken. Ook liggen hier drie geraamten van mensen en een geraamte van een koe … althans van iets dat een koeiekop heeft. -Vreemd-

Na een paar minuten komt Seebo terug uit het beeld en zegt dat daar, in dat beeld, allemaal hendeltjes, kabeltjes zitten en dat er ook nog een stoeltje “staat”. -Nog vreemder … Zou dit beeld dan bestuurd worden van binnenuit? Dat is helemaal vreemd!- Seebo ontdoet de lijken van waardevolle zaken en Hundra pakt twee dolken. “Hier” zegt Hundra tegen mij “een magische ring. Jij doet toch magie?” en ze houdt me een ring voor. “Nee, ik doe geen magie, al lijkt het er voor iemand zoals jij soms wel op” zeg ik Hundra. “Geen verdere bedoelingen met mensen zoals jij” voeg ik snel aan mijn opmerking toe naar Hundra. Hundra kijkt en gooit de ring argeloos over haar schouder weg. Seebo duikt als een ekster op de ring … -Nou ja zeg, doe even normaal Seebo- denk ik.

Als we verder lopen en een keer mislopen, komen we nog meer van dit soort tafereeltjes tegen. Maar als we een kleine ruimte inlopen wordt het wel heel vreemd.

In een hoek in deze ruimte zit een enorm rund … skelet van een rund. Het heeft een gigantisch slagzwaard over zijn/ haar benen liggen en het ziet eruit alsof dit beest iets bewaakte en hier vredig is ingeslapen. -ERG VREEMD!- Dan zie ik op de muur vele inscripties en een heel wazig teken met een cirkel eromheen. Ik kijk en zie dat het rund een erorme neusring heeft. Dat moet het zijn, die ring moet ik hebben.

Ik loop naar het rund en net als ik de ring wil pakken grijpt het gedrocht mij bij mijn pols … AUW!! gaat er over mijn lippen. -Ooooohhh nee koetje, … dit wil je niet, je maakt me nu heel kwaad- Ik probeer me te concentreren en ik voel dat ik dieper en dieper in mijn psyche kom. -Daar, daar om het hoekje in mijn brein, daar ligt mijn power die ik wil. Dit gaat je bezuren ossekop- Een helder blauw licht verlicht de kamer als een bliksemschicht het gedrocht op zijn schedel treft. Gefrustreerd werpt het beest mij van zich weg. Ik raak de grond hard maar herwin mijn krachten al snel. -Jaha hahahaha, je bent een echt rund. Mij loslaten is wel het meest stomme wat je kon doen koetje- en ik duik weer in mijn psyche. Weer treft een bliksemschicht de schedel van het rund.

Hundra en Tharilith zwaaien met hun zwaarden om het beest maar Hundra treft geen doel. Tharilith daar-en-tegen weet het beest enkele keren te raken. Seebo en Ann doen even helemaal niets … -kom op, doe iets- Snel bedenk ik mijn volgende actie. Ik zie dat Hundra en Tharilith rake klappen krijgen. Hundra wordt zelfs zo hard geraakt dat ze besluit terug te trekken en zakt naast mij moe op de grond. Ik besef toch echt dat ook dit monster door mij ten gronde gericht moet worden. Weer een bliksemschicht treft de harde schedel van de koe. Nu stort het ten gronde. Ik laat me moe naast Hundra zakken. “Ik ben leeg” zeg ik. Als ik even rust heb gehad pak ik de ring uit de neus van het rund. Dan herinner ik mij het verband dat ik in mijn rugzak heb. Ik verbind mijn eigen wonden en die van Hundra en Tharilith.

Nu kijkt Hundra eens goed door de kamer en ook zij ziet de cirkel rond één van de tekens. Ze kijkt rond. Dan ziet ze mij de ring naar haar uitsteken. Ze neemt deze aan en legt de ring in de muur. De ring blijkt perfect te passen en dan een geschuur van steen op steen. Een geheime ruimte ontbloot zich aan ons oog. Het is alleen aardedonker in de ruimte. Ik geef Hundra mijn lamp en Hundra gaat de ruimte in. Iets later volgen ik, Seebo, Ann en Tharilith. In de ruimte is een grote ronde trap naar beneden. We gaan de trap af.

Aan het einde van de trap is een quasi natuurlijke gang en Hundra wil gelijk weer verder. “Zolang ik lopen kan, ga ik door” zegt ze stellig. We kunnen niet anders dan haar volgen. Ik meld de groep dat ik vandaag echt niets meer kan betekenen. Ze nemen mijn opmerking aan ter kennisgeving. De gang is lang en kronkelt een beetje naar links dan weer naar rechts en als we een paar uur hebben gelopen komen we aan in een donkere grot.

In de grot staat een bed, een tafel met stoelen erom heen en er is een haard. Het ziet er uit als een woonvertrek. Op het bed ligt een skelet. -Oppassen … ik kan niks- bedenk ik me. Er zijn in deze ruimte ook meerde sokkels waar items op staan. In het plafond is een gat waardoor we de sterrenhemel kunnen zien. -Het is dus nacht- realiseer ik me. We besluiten hier kamp te maken en morgenochtend verder de ruimte te inspecteren.

Dan horen we achter ons een stem zeggen “dank vrienden dat jullie voor mij de weg gevonden hebben”. We draaien ons om en we zien Isoldur staan. “Isoldur …” zegt Hundra bijna opgetogen maar ik ruik onraad. “ … je was dood voor zover wij weten” vervolgt Hundra. “Ja”, zegt Isoldur “dat heb ik goed in scène gezet hè”. -Owwwwww domme koeien die we er zijn … Isoldur heeft ons bedrogen- bedenk ik me. -Wie is hier nou de grootste koe!!!-

Ik laat me op de vloer zakken omdat ik besef dat een en ander geen zin meer heeft. Isoldur is uit op hetzelfde item als ons en tegenstand bieden is in mijn optiek geen optie. Ik doe mijn rugzak af en wacht. Hundra wil in gesprek met Isoldur en vertelt hem dat zij blij is dat hij nog leeft met de vernoeming 'vriend'. Isoldur heeft echter geen zin in chit-chat en met een spreuk grijpt hij Hundra bij de keel. Hundra stribbelt flink tegen maar ontkomt niet aan de ijzeren greep van Isoldur. Ann en Seebo menen zich ook in deze questie te moeten mengen en Ann commandeert Isoldur om Hundra los te laten. Een lach komt over Isoldurs lippen en laat Ann zien dat haar spreuken geen effect op hem hebben. Om zijn statement meer kracht bij te zetten gooit hij Ann met een handgebaar enkele meters achteruit … -Isoldur is te machtig en wij zijn geen partij voor hem. Ik weet het nu zeker- realiseer ik me na deze actie.

Ann en Seebo weten van geen ophouden en ook Hundra, nog steeds heftig verzettend, gaat door. Van Hundra snap ik het. Ze komt lucht te kort en wil zo snel mogelijk uit de greep van Isoldur. Van Ann en Seebo snap ik het helemaal niet en ik besef dat, wanneer het zo door gaat, ook ik wel eens klappen kan krijgen van Isoldur. Dan begint Ann een tirade tegen mij. Ze vindt het belachelijk dat ik niets doe en dat ik op de grond zit. “Pardon … want”? stamel ik. “Jullie wisten toch allemaal dat ik niets meer kon? Dat heb ik toch gezegd”? ga ik verder “… en, ik denk dat de zaken alleen maar verslechteren door Isoldur aan te vallen”. Ann meent aan haar pleidooi toe te moeten voegen dat ik dat dan wel even kan zeggen, dat ik niets doe om 'vrienden' te helpen én dat ze mij niet meer vertrouwd. Ik ben met stomheid geslagen, wat een lomp gedrag zeg en deze uitbrander heb ik zeker niet verdiend. Zoek het even lekker uit! Ondertussen graaf ik naar een voorbeeld om Ann duidelijk te maken hoe het systeem, zoals ik het zie, werkt.

Ik wil het zekere voor het onzekere nemen door de gang in te gaan, weg van dit tafereel, weg uit deze situatie. Echter, Isoldur meent mij te moeten stoppen vlak voor de uitgang van de grot. Als bevroren blijf ik staan. Dan spreekt Isoldur rechtstreeks Hundra aan. Hij wil haar gedachten lenen. “Neehheeee”, hoor ik Hundra zeggen “Isoldur, waarom”? “Zodat ik de Goden weer kan uitdagen” is het antwoord. Het verhaal van Isoldur bevestigd mijn vermoeden: Isoldur is niet iemand waar je het 'even' tegen op neemt.

Dan, als Isoldur allang weer vertrokken is, krijg ik het gevoel weer enigzins terug en laat me weer zakken tegen een muur. Isoldur schijnt een masker te hebben gepakt … een masker, niet het masker. Het masker die heeft Hundra. Nu wordt het wel helemaal vreemd en ik besef dat we Isoldur vast nog eens gaan ontmoeten omdat hij, vermoedelijk, het verkeerde masker heeft. Ik stel voor het masker te laten voor wat het is in de wetenschap dat Isoldur nu en in de aankomende tijd toch te sterk is voor ons. Laat de Goden maar met Isoldur afrekenen. Dit wordt door de groep aangehoort en her en der zien ze wel wat in mijn statement. Hundra gaat echter niet akkoord. Ze kan toch niet verkopen aan haar omgeving dat ze het masker heeft achtergelaten, dat zou een laffe daad van haar zijn. Kan zijn, ik snap haar beredenatie maar ik wil gewoonweg niet dat Isoldur achter ons aankomt. Een tweede treffen heb ik echt geen zin aan.

Ondertussen wordt het masker door Seebo en Ann geprobeerd en het blijkt dat het masker het vermogen heeft om vragen te beantwoorden. Proefondervindelijk wordt er met het masker gewerkt en we ontdekken zo een geheime gang. Ondertussen zoek ik nog steeds naar een voorbeeld om Ann mij acties van daarnet te verduidelijken als het ineens bij mij binnen schiet.

Stel: Hundra zit onder een boom met daarin een wespennest. Nu wordt Hundra door een wesp gestoken. Ik zit een eindje verderop en zie alles gebeuren. Ann (jij) meent dat, omdat Hundra aangevallen wordt, de wespen maar eens een lesje geleerd moet worden en je gaat met stenen gooien op het nest. De wespen worden woest, logisch lijkt mij, en kiezen massaal de aanval. Ook Seebo doet nog een gooi naar het nest. Hundra wordt nog een tiental keren gestoken en ook Ann wordt een paar keer gestoken. Omdat ik niet tegen de groep zeg dat bemoeienis of verzet de zaak alleen maar verslechterd én omdat ik gewoon blijf zitten wordt Ann kwaad en zegt dat ik niets doe om vrienden te helpen en dat ze mij niet meer vertrouwd.

Ik verklaar mijn gedrag:

  • ik maak zaken niet erger zoals Ann en Seebo. Namelijk de kans dat het erger wordt, door je er actief mee te bemoeien (stenen gooien), is relatief groot.
  • als ik Ann, of de groep, moet gaan vertellen dat stenen tegen een wespennest aangooien zeer onverstandig is, heb ik gegronde redenen aan te nemen dat het besef van oorzaak ↔ gevolg in deze groep ver te zoeken is. Dat zegt dan dus meer over de verstandelijke vermogens van, personen in, de groep dan over mij!! En in de plaats van de oorzaak bij jezelf, of actieve deelnemers, te zoeken geef jij, Ann, mij de schuld. Dit is de wereld op de kop.

… dat gaat een mooie anecdote worden bij het kampvuur vanavond. Belachelijk overigens dat IK me moet verantwoorden en mezelf moet verdedigen. Dan, als alle vragen aan het masker zijn gesteld, wordt er besloten te vertrekken door de geheime deur. Het kampvuur laat dus nog even op zich wachten.

Als we goed en wel de gang in zijn, sluit Hundra de deur achter ons. Het is aarde donker. Gelukkig heeft Seebo een lamp aan en ik vraag aan Hundra mijn lamp terug. Ann wil een spreuk op het zwaard van Hundra gooien. Ik doe even een paar stappen naar achteren, uit de buurt van Ann. Ik ken ondertussen de uitwerking van haar spreuken. Dat wat ze wil dat gebeurd, gebeurd niet. Dus … beter alles aanschouwen op 'veilige' afstand.

Dan meldt Hundra dat er een aantal vreemde tekens boven de deur staan. En, heel gek, ze kan ze lezen. Echter, zo voegt Hundra er zelf aan toe, wat dan vervolgens de inhoud van de tekst is, weet ik niet. Seebo gaat maar eens een kijkje nemen. En ik, ik ben het wel een beetje zat. Ik ga op de grond zitten en kijk wat voor me uit. De gedachte dat wij het Masker bij ons hebben maakt me alles behalve gelukkig.

Weet je, ik zit echt in dubio. Ik heb morele bezwaren tegen het meenemen van dit magische attribuut. En ja, misschien ben ik een doemdenker en misschien heb ik ongelijk, dat laatste hoop ik dan maar, maar we weten allemaal niet waar we mee bezig zijn. Misschien is het verstandig dat ik eens een aantal zaken op papier zet, dat ik op die manier mijn gedachten even op een rijtje kan zetten. Ik vertouw het helemaal niet meer.

Gelukkig wordt er besloten hier rust te nemen. Ik maak het mezelf zo comfortabel mogelijk hier in deze smalle gang als Seebo en Tharilith op onderzoek uitgaan. Na een aantal minuten, als Ann en Hundra in slaap zijn gevallen, zijn Seebo en Tharilith terug maar nog steeds geen uitgang gevonden. Dat stoort Seebo en vertelt mij het hele verhaal over vreemde tekens op de muur en geheime doorgangen in het plafont. “Weet je Seebo, we gaan nu rusten en zoeken het morgen wel uit” zeg ik. Maar daar neemt hij geen genoegen mee.

Ik zeg dat ik het prima vind dat hij dan alleen op onderzoek uitgaat maar ik wil wel heel duidelijk hebben wie ik wakker moet maken als ik wat hoor. Seebo wijst naar Hundra en Tharilith. “Prima” zeg ik “dus als ik HELP hoor maak ik Hundra en Tharilith wakker. En hoe lang blijf je weg” vraag ik Seebo nog. “Als ik binnen 10 à 15 minuten niet terug ben, ga er maar vanuit dat er dan iets gebeurd is” zegt hij. “Ok, dus als ik iets hoor in de zin van HELP of als je binnen 15 minuten niet terug bent maak ik Hundra en Tharilith wakker” spreek ik bevestigend uit. “Ja” is het antwoord van Seebo en vertrekt in de richting vanwaar hij net kwam.

Binnen een aantal minuten is Seebo terug en meldt mij dat hij de uitgang heeft gevonden. “Fijn” zeg ik, “dan kan ook jij nu rustig gaan slapen”. Na mijn wacht maakt ik Ann wakker en ik val als een blok in slaap.

(Dag 18) 25e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Mechaniek en mijn gedachten op een rijtje zetten ... een zware klus

De volgende ochtend, of misschien wel ver in de ochtend, word ik wakker en ik heb heerlijk geslapen. Ik voel me goed. De rest is al wakker en mevrouwtje ongeduld staat al weer te trappelen. “Voelt iedereen zich weer prima? Heeft iedereen al gegeten? …” een kanonade van vragen vuurt Hundra op ons af. “Mens doe rustig, ik ben net wakker” zeg ik als ik thee inschenk.

Maar na de thee en ontbijt is iedereen klaar om te gaan richting 'DE UITGANG' die Seebo ons verzekerd heeft gevonden te hebben. We komen aan bij een deur, dat is al veel belovend. Seebo meent dat we door deze deur moeten en als alles in gereedheid is gebracht, opent Hundra de deur.

Voor ons … volstrekte duisternis. Gelukkig maar dat we onze lantaarns aan hebben en dat Hundra een spreuk op haar zwaard heeft van Ann. Zo kan Hundra ons toch nog de weg leiden. We komen aan in een enorm grote zaal, die lijkt op een omgekeerde trechter, met roosters als vloer en iets wat lijkt op wieken van een molen, alleen dan liggend, onder de roosters (een enorm grote ventilator dus!!). De wieken draaien wat zorgt voor enige lucht verplaatsing. -Dit is uiterst vreemd- en ik voel me hier niet op mijn gemak. Hundra en Tharilith lopen naar een soort tafel bij een vreemdsoortige muur. Aan de muur en op de tafel zitten allemaal hendels, knoppen, bellen en mechanische fakkels. Kettingen lopen van beneden naar boven (of omgekeerd, 't is maar van welke kant je het bekijkt tenslotte).

Bij de meeste knoppen en hendels staan vreemdsoortige tekens. Een teken dat lijkt op een bliksemschicht met daaronder het schrift “POWER”. Een vreemdsoortig half ei met een schaalverdeling van Stationary, 1 tot 10. Het rode wijzertje bij dit halve ei wiebelt een beetje op “Stationary” en daar vlak onder staat “MIN” en bij de 10 staat “MAX”. Tussen 8 en 10 is de schaalverdeling rood, de rest van de schaalverdeling is wit. (tekening van 1/2 ei) Naast dit halve ei zit een grote knop waar je aan kan draaien. Als Hundra aan een andere knop draait dan laatstgenoemde, valt er een enorme bundel licht naar binnen.

Het is daglicht dat door de opening van de trechter naar binnen schijnt. We hebben dus een uitgang. Zij het een 100 voet of meer boven ons. Dan besef ik dat ik een power heb die ons hier goed van pas kan komen. Ik vraag om touw. Tharilith heeft twee touwen en ik vraag of ze deze aan elkaar wil knopen. Zo geschiede. Ondertussen knoop ik het andere eind vast aan het rooster, recht onder de “uitgang”. Met mijn power laat ik het touw recht omhoog gaan zodat één van ons naar boven kan klimmen. Hundra gebruikt een instrument die het klimmen makkelijker maakt en gaat naar boven.

Na enkele minuten staat ze weer beneden naast ons. Ze zegt dat er, aan het einde van het touw, nog veel trechter over is. Geen succes dus. Dan bekijk ik de wieken nog eens en besef dat, wanneer deze sneller draaien, wij de mogelijkheid hebben om, al vleigend, de uitgang te bereiken. Ik word met vreemde ogen aangekeken. Ik loop naar het paneel en draai langzaam aan de knop naast het halve ei. En ja hoor, de wieken gaan sneller draaien. Hundra is met me mee gelopen en kijkt over mijn schouders mee. Ik draai de knop verder en probeer de wijzer op het halve ei op 2 te krijgen. Dan hoor ik Seebo achter me schreeuwen en draai me om.

Seebo zweeft … het werkt!! Zonder dat ik het in de gaten heb, draait Hundra aan de knop. Weer gaan de wieken sneller en Seebo komt hoger. Jawel, de uitgang is nabij. Dan draait Hundra de knop ineens heel snel op naar 10 en Seebo vliegt de ruimte uit, de uitgang tegemoet. Dan draait Hundra de knop helemaal terug naar 1 … er valt na een tiental seconden ijs naar beneden. IJs met bloed … oeps hoor ik Hundra zeggen.

Snel besluiten we dat Ann de tweede moet zijn want zij kan healen. Snel neemt Ann plaats, zij het niet van harte, en weer gaat de knop naar 10. Hundra heeft er zin in. Dan na een tweetal minuten horen we Ann van boven schreeuwen dat alles veilig is en de volgende kan komen. De rest, waaronder ik, volgen snel.

We staan op een berg midden in de sneeuw. Het is koud en ieder slaat een deken om. Dan vervolgen wij onze weg in de richting van het ruggegraad gebergte. Tegen de avond, met misschien nog een uur daglicht te gaan, komen we aan bij een torentje. Hundra gaat als eerste naar binnen en ik volg al snel. Hundra vindt hier warme kledij die, helaas, allemaal zou hard zijn als een plank … bevroren. Dat moeten we dus eerst ontdooïen.

In de toren zitten twee mensen, geheel bevroren. De een schrijft en de ander zit met een hellebaard in zijn handen naar buiten te staren door een schietsleuf. Zelfs het vuur hier binnen is bevroren. -Vreemd!- We besluiten hier kamp te maken. Boven staan een aantal bedden en ik zorg voor vuur beneden en boven. De warme kledij wordt voor het vuur gehangen om te ontdooïen en ik zoek een bed uit waar ik mijn gedachten op papier zet.

Dan, als mijn wacht er weer opzit, maak ik Hundra wakker en val als een blok in slaap.

(Dag 19) 26e bloeimaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Herberg 'de Laatste Toren'

Vanmorgen weer vertrokken over de Aïahrgaäuhwauhaugodvraukut-gletsjer, verder naar beneden, het warme dal. Gelukkig hebben we nu warme kleren aan en hebben we aanzienlijk minder last van de kou dan gisteren. Is het dan nu behagelijk? Nee, absoluut niet maar zeker beter dan gisteren.

Na een hele dag gelopen te hebben over de gletsjer zien we tegen de avond, het is al schemerig, een toren. En, … er komt licht uit de toren. -Is deze toren nog in gebruik? Blijkbaar …- Wellicht dat we van de wacht, of van een andere gebruiker van deze toren, binnen de nacht mogen doorbrengen.

De toren blijkt een herberg te zijn; herberg 'de Laatste Toren'. De herberg heeft drie verdiepingen. De onderste verdieping is voor het vee en voor hen die geen kamer kunnen of willen betalen. -Wat doet dat vee hier op een gletsjer- denk ik nog. Deze vraag zal echter onbeantwoord blijven. De tweede verdieping is de gelagkamer voor hen die wél een kamer kunnen veroorloven en bereid zijn te betalen voor een warme, rustige nacht. Op de derde verdieping bevinden zich de slaapvertrekken.

In de gelagkamer ontmoet ik Tikk'm, een klein vrouwelijk persoon. Ze lijkt niet op een mens maar meer op een halfling. Ik raak met haar aan de praat en zij is bereid ons morgen mee te nemen naar het houthakkersdorp Fuduu (of Fü) in het dal aan de voet van de gletsjer. Ik neem haar aanbod aan en vertel het de anderen.

Dan ga ik onder de wol, morgen is het weer vroeg dag tenslotte.

(Dag 20 t/m 24) 27e bloeimaand 1165 t/m 1e roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Hey, ... onder de gletsjer door. Nooit aan gedacht!

Als het ochtend is, ga ik naar beneden voor het ontbijt. Tharilith is al beneden en ik zie een vet ontbijt voor haar staan. Ook ik bestel een ontbijt en vermoed dat ik dezelfde reuzel voor geschoteld ga krijgen. Na enkele ogenblikken staat het ontbijt voor mijn neus en mijn vermoeden is waarheid … vette reuzel. Met ietwat lange tanden neem ik het ontbijt tot mij. Niet veel later volgen Ann, Seebo en Hundra. De laatste overigens laat zich het ontbijt goed smaken. Tijdens het ontbijt vertel ik Hundra dat we een gids hebben naar beneden, naar het dal.

Na een klein kwartier komt Tikk'm aan tafel en stelt haarzelf voor aan de rest van de groep. Na de ontmoeting kleden we ons weer warm aan en vertrekken naar buiten. Enigzins verbaast zie ik dat Tik'em weer de gletsjer omhoog gaat. Maar al ras gaan we iets naar links op de gletsjer en verdwijnen we in een spelonk. De route gaat dus onder de gletsjer door … nooit in mij opgekomen dat ook dat tot de mogelijkheden behoorde.

Na meer dan een halve dag lopen, nog voor de schemer valt, komen we onder de gletsjer vandaan en zien we Fuduu een mijl verderop. Fuduu is een dorp met daar omheen een grote aarden wal. Aan de ene kant van het dorp is een vlakte, aan de andere kant zien we masten van schepen. Vermoedelijk dat er een haven naast ligt. We vervolgen onze route naar het dorp en als we daar aankomen, zoeken we een herberg. Aan het grote plein in het dorp, het plein is overigens groter dan het dorp zelf, is een herberg waar we intrek nemen.

Het is verrassend druk in deze herberg, dit geheel in tegenstelling tot buiten. We bestellen een pul bier en we zetten ons aan een tafel. Hundra gaat op zoek naar iemand die ons richting Kloff kan brengen. Ik zie haar in gesprek met een man maar ik merk aan haar gebaren dat het gesprek moeilijk verloopt. Ik loop naar Hundra en de man en bemoei me met het gesprek. Kort daarop geeft de man aan op zoek te gaan naar een karavaan die richting het Einselmeer vertrekt.

Na een half uur komt de man bij ons aan de tafel melden dat hij een karavaan heeft gevonden en deze vertrekt over drie dagen. Daarop ga ik naar de waard en boek 5 kamers 'all-in' voor twee nachten. Ik krijg een kamer met zicht op het plein … lekker rustig. Er is niets te doen hier in het dorp danwel op het plein.

We brengen de hierop volgende dagen door met niets doen en uitrusten. En Hundra … die gaat de omgeving verkennen met Charlie, onze karavaanleider.

Op de 30e bloeimaand staan we vroeg op. Het is nog donker. De karavaan staat al klaar op het plein. Snel eten we nog een ontbijtje en vertrekken een half uurtje later als de zon nog net onder de horizon zit. De karavaan bestaat uit 3 platte karren en een huifkar. De huifkar doet dienst als keuken/ fouragewagen. De platte wagens dienen als materiaalwagens. Ik heb plaatsgenomen op de huifkar, voor op de bok. Naast ons zijn er nog meer aanwezige personen in de karavaan. Dit zijn de bestuurders van de karren, een zestal huurlingen die de karavaan beschermen en een karavaanleider.

Na een halve dag rijden, houden we halt. De karavaanleider attendeerd ons op een grote vlucht met vogels die vermoedelijk een prooi zien. Volgens de karavaanleider zijn het ruigpootbuizends. We gaan er ruim omheen want de karavaanleider heeft geen behoefte aan eventueel gevaar.

Het valt me op dat het gras, hier op de vlakte, knap hoog is. Ik schat een meter of 2. Het lentezonnetje brandt stevig en ik geniet met volle teugen. Tot de 2e roggemaand gebeurt er niets behalve het reizen. We kletsen wat over koetjes en kalfjes maar daar blijft het dan ook bij.

(Dag 25) 2e roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

... what the hell!

De hele dag heeft het lentezonnetje zich weer laten zien en dat doet me deugt. En nu, nu het zonnetje langzaam onder de horizon zakt, houden we halt. Er moet hout gezocht worden voor het kampvuur en Tharilith en een huurling gaan hout zoeken. Al snel komt Tharilith gillend terug “HEEEEELLP!!! Reuzekippen … enorme gevleugelde kippen … HEEEELLLP!!” Ze krijgt de lachers, onbedoeld, op haar hand. Hundra meent samen met Ann en Tharilith naar de plek van het onheil te moeten gaan.

Ze zijn nog maar enkele minuten weg als ook ik, vanuit mijn ooghoeken wel-is-waar, op een 15-tal meters van de karavaan verwijderd banen door het hoge gras zie ontstaan. Ik klim maar eens op de huif van de kar. Dan hoor ik van achter een enorm geschreeuw … ik ben op mijn hoede. Te laat. Met een enorme sprong zit er een enorm beest op de bok en dood de bestuurder met enkele slagen met zijn klauwen. Dan ziet het beest mij en ook ik krijg een tweetal fikse klappen. Auw, … dat beest heeft scherpe nagels!!

Ik herstel me zo snel mogelijk en ik bereid een power voor. Ik zie dat ook op de kar bij Seebo zo'n ellendig beest zit. -Die valt ook binnen mijn range- denk ik als ik de kracht van mijn power loslaat. Het creatuur op onze karren, die van Seebo en mij, vallen dood neer. Een ander achtervolgt een vluchtende bestuurder. Voor hem kan ik niets meer betekenen.

Achter ons, daar waar Hundra, Ann en Tharilith zich moeten bevinden, is het na een minuut ook stil. Waar blijven ze toch? Wat is er toch gebeurd achter de heuvels, in het hoge gras?

Als Hundra, Tharilith en Ann terugkomen bij de karavaan, horen we het hele verhaal van wat er gebeurd is buiten ons zicht. Uit het verhaal van mijn metgezelen komt duidelijk naar voren dat het zwaard, wat Tharilith bemachtigd heeft bij de eerste encounter in de toren, een vervelende bijwerking heeft op de gebruiker. Hundra heeft met het zwaard gewerkt, zeg maar, en heeft nog net haar zinnen teruggevonden voor ze Tharilith aan het verdoemde zwaard wilde rijgen. Zie je wel, ik heb gelijk: magie is oncontroleerbaar, al zullen de gebruikers ervan deze inferieure kant nooit inzien of in willen zien. Blij dat ik met mijn volle verstand zaken kan bewerkstelligen en zaken als magie af kan zweren. De geest is sterker dan alle andere materie …

Voor zolang de dag nog duurt is er een onheilspellende maar begrijpelijke stilte in het kamp. Ieder likt zijn of haar wonden. Mensen zijn verzonken in gedachten. Ik moet mijn gedachten helder houden en niet te lang stil staan bij de feiten zoals ze er liggen. Accepteren, doorgaan en jezelf afvragen hoe je in het vervolg om zal gaan met de verdoemde machten van dat zwaard. Voor mij is het helder. Hij of zij die het wapen de volgende keer ter hande neemt zal kennis maken met de rauwe krachten van mijn heldere geest. Gewaarschuwd is hij of zij die de verdoemenis over mij en mijn metgezellen afroept!

(Dag 26 t/m 30) 3e t/m 7e roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Verdeeldheid in de groep, maar mijn gedachten zijn helder ...

De stilte in de karavaan is goed merkbaar. Velen hebben hun gedachten en zaken nog niet helder. Dit geheel in tegenstelling tot mij. Ik slaap goed en ik weet wat me te doen staat bij het, wederom, gebruiken van het zwaard door deze of gene. Ik draai mijn wachtrondes zoals afgesproken en leg af en toe hier en daar mijn oor te luisteren.

Seebo zit op de huid van Hundra en vraagt haar de hemd van het lijf aangaande het zwaard. Hij ziet niet in, of misschien ook wel maar wil hij het niet inzien, waar het verdoemde zwaard toe in staat is. Hundra meent dat het zwaard zo snel mogelijk weg moet maar Seebo meent dat er nog goed geld aan te verdienen is.

Ik stel me de verkoop van het zwaard al voor: -zie hier meneer de handelaar, een pracht zwaard. Neem het ter hande en u zal de eerste de beste persoon omleggen. Ja zeker, zelfs uw vrouw, geen probleem. Sterker, u bent zo in de macht van het zwaard dat zelfs het leven van uw kinderen niet veilig is. En u heeft altijd een excuus. U bent uzelf niet meer, u weet helemaal niet wat u doet. Handig hè, een alibie voor de rechter. … Nou, wat biedt u?- Zachtjes lach ik om de absurde gedachte dat er überhaupt iemand zou zijn die dit wapen wil kopen. Als er al mensen zijn die dit wapen willen kopen, zijn ze, in mijn optiek, niet te vertrouwen en mogen ze, wat mij betreft, gelijk in het gevang. Verkopen … dat is absoluut geen optie.

Tharilith wil het wapen gewoonweg bij zich houden en afgeven aan iemand die het wapen wél kan gebruiken voor de goede zaak. Ook dat zie ik niet gebeuren. Een verdoemd wapen valt, voor zover ik kan beredeneren, niet te gebruiken 'voor de goede zaak'. Hoe ziet ze dat dan: -kijk meneer/ mevrouw de paladijn, een pracht zwaard uit de krochten van de hel. Alstublieft voor u. U zal het vast gebruiken voor 'de goede zaak' … Toch?- Gaat 'em niet worden lijkt me.

Ann en ik houden ons afzijdig in het gehele verhaal. Ik praat in deze dagen veel met Ann maar het zwaard wordt in onze gesprekken niet genoemd. Misschien dat Ann haar gedachten aangaande het zwaard zeker niet met mij wil delen gezien zij weet dat ik magie verafschuw. Dat kan en laten we dat dan maar zo houden.

Het is wel vervelend dat de groep verdeeld is door dit voorval. Hundra wil het zwaard gewoon kwijt, Tharilith wil het weggeven aan of voor 'de goede zaak', Seebo wil het verkopen en Ann en ik mengen ons niet in de discussie … een patstelling dus! Lastig maar niet onoverkomelijk. Ik heb mijn belofte gemaakt aan de groep, al weten zij dit niet, en ik zal dat nastreven. De tijd van de pure geest en mijn rauwe kracht zal komen. Als het niet vandaag is, dan morgen. Ooit zal er weer een persoon zijn die het zwaard ter hande neemt en dan is het mijn beurt …

Dan, op de 7e roggemaand, bereiken we een stadje aan het Einselmeer. Op naar de kroeg, een glas wijn en ander gezelschap zal me goed doen. Even uit deze benauwende situatie, deze bedompte sfeer. Morgen verken ik dit stadje wel even en doe ik de nodige inkopen wel voor de reis naar Kløv. Belangrijke zaken eerst … wijn dus! En een goede slaapplaats regelen en dat kan vast in één en hetzelfde gebouw. Hoop groeit veelal als de kroeg dichtbij is!

(Dag 31) 8e roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Had ik toch gisteren maar inkopen gedaan ... Dramadag vandaag!!

De ochtend breekt aan en ik krijg het totaal niet mee. Ergens ver in de ochtend open ik mijn ogen. Heerlijk geslapen! Ik ben benieuwd of mijn metgezellen al uit bed zijn. Ik spring uit bed doe de luiken van mijn kamer open en laat de zon mijn kamer in. Rek me eens even uit en loop vervolgens richting de waskom. Ik schenk het koele water in de kom en laat vervolgens vrij stromen over mijn naakte lichaam en was vervolgens mijn haar … heerlijk! Fris begin ik aan deze prachtige dag. Ik droog me af, ik kleed me aan en vertrek vervolgens naar beneden.

Beneden aangekomen zie ik dat al mijn metgezellen al wakker zijn. Hundra is er nog niet. -Die zal vast nog slapen- denk ik. Ik ben net aan het ontbijt begonnen als Hundra opgewekt binnenkomt. Die was dus al voor dag en dauw uit de veren realiseer ik me. En Hundra heeft een geweldige mededeling: ze heeft een overtocht geregeld op een boot. “Gratis … met vertier en plezier” zegt ze. Ik begrijp wat dit betekend en ik stik zowat ik het stuk brood dat ik in mijn mond heb.

“Wat”? vraag ik aan Hundra hoestend en proestend als ik het stuk zompige brood uitspuug in mijn hand. “Wat heb je geregeld en onder welke voorwaarden”? “Ben je verdomme wel goed wijs mijn lichaam te gebruiken om een overtocht te regelen” ga ik verder. Ik krijg bijval van Ann en Tharilith. Seebo ziet het volgens mij wel zitten die gratis bootreis met vertier … de kleine vieze rat! Hundra stameld nog iets uit maar ik wil er geen woord meer over horen. Mijn fris begonnen dag wordt met één streep weggeveegd uit mijn bestaan … dat ik nog mee moet maken dat iemand mijn lichaam inzet om de snol uit te hangen. “ALS ik de snol uit wil hangen, kan ik dat heel goed zelf regelen, dat hoeft een ander niet te doen voor mij” zeg ik tegen Hundra en loop naar buiten. “De schande, DE SCHANDE …” benadruk ik als ik de deur open en Hundra strak aankijk. Nagenoeg kokhalzend sta ik buiten. De gedachte dat er een smeerlap zijn vleselijke lusten op mij mag botvieren voor een boottocht … gadverdamme!!

Na een kleine tien minuten, vermoed ik, komt de rest van de groep ook naar buiten. Ik walg en een ijskoude rilling gaat door mijn lichaam als ik Hundra alleen al zie. Ann vertelt me dat ze de markt opgaan vanwege een jochie waar Hundra achteraan wil. “Een jochie …, waar Hundra achteraan wil” stamel ik, Ann vragend aankijkend. Het wordt me te veel en ik hou het deel van mijn ontbijt niet meer binnen. -Nu wil Hundra al achter jochies aan. Wat een ziek mens is het toch ook- bedenk ik me al kijkend naar mijn halfverteerde ontbijt op de grond. “Sorry maar dat trek ik even niet” zeg ik tegen Ann en ga de kroeg weer in, naar mijn kamer.

Na een uurtje wordt er op mijn deur geklopt. Tharilith meldt, van de andere kant van de deur, dat we weggaan. Er is een bericht van de kapitein. “Welke … die van die boot”? vraag ik Tharilith. “Nee, de luitenant uit Kløv, … die kapitein” zegt Tharilith. -Dit is verwarrend- bedenk ik me. Ik pak mijn spullen en ga naar beneden. Ik had verdorie nog inkopen willen doen. Wat een dramadag vandaag zeg!

We lopen de zuidpoort uit en we sjokken een paar uur als we in de verte een tent zien staan. En als we de tent genaderd zijn tot een aantal meters zien we voor de opening een wachter staan die schrikt als hij ons ziet. Hundra geeft de wacht zijn wapen terug en meldt dat we komen voor de kapitein. Met een handgebaar van de wacht treden we binnen in de tent van de kapitein. Maar ho eens, wie is dat? -Dé Kapitein … hmmmm, de kapitein- mijn pure geest maakt een sprongetje en mijn hart slaat een slag of 6 over. -Deze kapitein mag er zeker zijn. Sterker nog, met hem op een boot gratis vertier en plezier …-. Ineens is die gedachte niet geheel onaangenaam -Al waren het tien van deze kapiteins- bedenk ik me.

Ik zie dat mijn vrouwelijke metgezellen ook zien wat ik zie. Ann spant de kroon. Ze biedt de kapitein het Masker van Yaeh aan en als een krolse poes schuurt ze tegen de kapitein. Haar borsten fier naar voren gedrukt en, hoe kan het ook anders, een deel van haar decoletté goed ontbloot. Ook Tharilith is onder de indruk van de kapitein. Als zij degene was geweest die het masker aan de kapitein mocht geven, zou zij zich al kronkelend, gelijk een serpent, om het lichaam van de kapitein draaien. Hundra zou gaan voor de directe benadering. Als een onstuimige stier zou zij zich op hem storten. -Maar wat maakt het uit. Hij kijkt toch alleen naar mij! …-

Als de kapitein het masker heeft, geeft hij ons een tweede opdracht. Die nemen we uiteraard aan. We moeten op zoek naar drie items:

Tijd voor vertier wellicht?

(Dag 32 t/m 51) 9e t/m 28e roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Even weer terug naar het stadje en dan door ...

De volgende ochtend ben ik redelijk bijtijds wakker. Ik bemerk dat de kapitein al weg is, maar de tent is nog niet afgebroken en er liggen her en der nog wat bezittingen van de kapitein. Ik wrijf door mijn ogen en zie dat Seebo thee heeft gemaakt. Ik schenk een nap in en geniet even van de thee en de gedachte aan de kapitein. Seebo vertelt dat, omdat wij gisteravond niet in staat waren ook maar enigzins na te denken, de kapitein hem vertelt heeft wat er moet gebeuren. Snel ratel ik op dat we drie items moeten zoeken; de Helm of Horn, de Scrolls of Melee en de Scales of Mhûl … pffff ik niet meer helder denken, dacht het wel hè. “Waar” vraagt Seebo, “waar ga je die vinden dan”? “Nou …” zeg ik snel, “dat weet jij dan weer. Toch”?

“Volgens de kapitein,” en Seebo spreekt in deze namens hem, “moeten we de Weg van Abbaran nemen ten noord oosten van Eliat in het Ruggegraatgebergte. Volg de gangen noord om in de Grote Vhar Woestijn te komen. Dan reis je west naar het Middenrif gebergte. Deze ga je over en trek je Grundle in. Ook heeft de kapitein een brief achtergelaten voor het dwergenverzet en 100 gouden dwergenkronen”. -Dwergenverzet? … het zal- denk ik, me niet geheel bewust wat ik daar mee kan of moet.

Dan komt Ann vliegend op een tapijt de tent in, giegelend van plezier “kijk eens wat ik gevonden heb … whoeiiii”. Hier heb ik geen tijd voor hoor, dat kinderachtige gedoe. “Laten we met z'n allen gaan vliegen, kom op mensen” roept Ann. “Je krijgt mij met geen stok op dat oncontroleerbare magische prul Ann” zeg ik tegen haar. Voordat ik er goed en wel erg in heb zit Ann stevig op me in te praten dat ik het absoluut moet doen. Maar mijn geest blijft helder. “Nee Ann, ik ga het niet doen punt uit!”. Ann heeft ook nog twee grote tassen gevonden met proviant.

We vertrekken richting de stad om inkopen doen en een rijdier te halen voor mij. Vandaar gaan we op pad naar de Weg van Abbaran. Een reis van iets minder dan een maand als er geen tegenslagen zijn. Ik ga dus maar even uit van een maand. Echter, de reis gaat voorspoedig en zonder enig oponthoud.

(Dag 52) 29e roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

De Weg van Abbaran en natuurlijk wordt deze bewaakt ...

De middag is al redelijk ver gevorderd als we op de 29e roggemaand in het Ruggegraatgebergte een opening zien. Wellicht is dit de doorgang die we moeten hebben, de Weg van Abbaran. Een stroompje stroomt uit de opening. Het ziet er idyllisch uit maar we zijn op onze hoede. Dan horen we een vreemd geluid wat ons het ergste doet vermoeden. Een snelle blik door onze omgeving verraad een vreemd soortig monster verscholen boven de ingang van de opening. Dan stort het monster zich naar beneden en laat een wolk gifgas over mij los.

Snel ren ik, bijna brakend, zo goed en zo kwaad als het gaat over de losse stenen in het stroompje richting de opening. Hundra haalt me in. Tharilith, ik kijk nog snel over mijn schouder, die volgt op drie meter achter me. Ann en Seebo zie ik zo snel niet meer. Het beest vliegt door en ik hou even halt. Snel bereid ik een power voor en het beest komt richting mij. Door mijn power vliegt het beest een stuk achteruit maar hergrijpt zich in de bomen. -Ik ben geen gemakkelijke prooi, shithead- en ren door.

In de gauwigheid heb ik gezien dat er, op de plek waar Ann en Seebo zich bevonden, een dichte mist hangt. Het creatuur beseft dat ik inderdaad geen makkelijke prooi ben en probeert zijn heil ergens anders te zoeken. Als ik bijna bij de opening ben, hou ik halt en draai me om. Nog net zie ik het monster een aanval doen op de dichte mist. Vlammen uit een van zijn koppen, het heeft er drie voor alle volledigheid, trekt een baan dwars door de mist. Ik kan niet anders dan met verbazing naar dit prachtige schouwspel kijken. Een “wow wat prachtig, wat een kracht” ontsnapt zachtjes over mijn lippen. Ik ben echt onder de indruk van dit prachtige schouwspel. Maar dan slaat de realiteit weer toe als ik de kreten van metgezellen hoor vanuit de mist.

Hundra staat al in de grot, ook Tharilith is mij ondertussen gepasseerd en Ann en Seebo zijn nog een 10-tal meters bij de opening verwijderd. Ik moet iets doen, maar wat. Als ik aanstalte maak om weer terug te gaan roept Hundra dat ik niet moet gaan. Ik twijfel … ik kijk naar Ann en Seebo en weer terug naar Hundra en nogmaals naar Ann en Seebo. Die mist, die moet optrekken en snel ook. Weer mijn blik naar Hundra … en weer naar Ann en Seebo. Dan zie ik uit de mist mijn twee andere metgezellen aankomen. Strompelend onder de brandwonden en met zichtbaar veel pijn. Ik bereid weer een power voor, voor het geval dat het monster achter Ann en Seebo aankomt.

Het creatuur vliegt laag in, ik zie het duidelijk een 50-tal meters achter Ann en Seebo. -Kom op, kom op … kom op!- Hundra en Tharilith roepen Seebo en Ann toe dat ze zich enorm moeten haasten. Ik sta klaar om hen te beschermen. Net als Ann en Seebo in de opening achter een steen zijn gedoken, scheert het beest de opening voorbij, recht omhoog de lucht in. Snel werp ik nog een blik buiten de grot omhoog richting het beest dat nu met enorme snelheid weer duikt. Ik ren de grot verder in naar de rest van de groep. Het beest stuift over het stroompje de bossen in, bij ons vandaan.

Snel gooit Ann een paar spreuken op haarzelf en Seebo om de verwondingen te niet te doen. We gaan verder de grot in als we op een ondergronds strandje uitkomen bij een ondergronds meer. Hier willen we gaan rusten. Het is tenslotte het eind van de namiddag en na deze ontmoeting kan iedereen wel wat rust gebruiken. Ann en ik zetten her en der een aantal magische fakkels neer om de ruimte beter te verlichten en om een idee te krijgen van de ruimte waar we ons nu bevinden.

Deze ruimte heeft een aantal gangen en dat maakt het verdedigen van deze ruimte iets moeilijker. Het voordeel is dat hier een klein meer is en het strand is niet al te breed en overzichtelijk. We maken kamp in een uithoek van het strandje zodat het gevaar maar van één kant kan komen. Dat is althans de opzet.

Als Ann en ik zo over het strandje lopen, zien we een cluster stenen dat verdacht veel lijkt op een nest eieren. Nieuwsgierig als we zijn onderwerpen wij het aan een nadere inspectie. Dan horen we achter ons in het water een sissend geluid. -Oh oh … niet goed- denk ik nog. “Ann, laat die eieren liggen, naar het kamp en weg hier”. We pakken de magische fakkels weer op, lopen naar de groep en zeggen dat we als de sodemieter weg moeten. Snel pakt ieder zijn/ haar spullen en we nemen de eerste gang die we tegenkomen. Achter ons horen we het inademen van een héél groot monster en dat is meestal niet goed. DUIK WEG!!! roept iemand van ons.

En geen seconde te laat. Een paars licht vult de gang en een vuurzee trekt aan ons voorbij. De hitte is immens en ik kan me niet voorstellen dat iemand die daar in heeft gestaan er nog levend vanaf zal komen. Dan een schreeuw van Hundra. “Is iedereen er nog”? Vier keer “ja” en Hundra die het vraagt … gelukkig, iedereen is er nog. We blijven even een aantal minuten zitten en wachten het ergste af. Een tweede vuurzee blijft uit. Als iedereen de moed heeft gevonden om te verzamelen, komen we bij elkaar waar Hundra zit. Zij heeft iets vreemds gevonden.

Op de schuilplek van Hundra is een helm en een pikhouweel, deze laatste overigens nagenoeg vergaan. Ook staat er hier in deze ruimte een rune. Een “A” in het oud-common. Ik meld dat dit wel eens de weg kan zijn die we moeten hebben, een A van Abbaran, de Weg van Abbaran. Dit nemen we gemakshalve dan maar aan, we hebben toch geen andere aanwijzing en besluiten het er maar op te gokken. Na een klein kwartier houden we halt, tijd om kamp te maken.

De wachten worden weer verdeeld en na mijn wacht val ik als een blok in slaap.

(Dag 53) 30e roggemaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

"They call it a mine ... a mine"* (* Bart: onze Tolkien fans weten waar we nu zijn. Picture it!!)

De ochtend begint met thee en een stuk brood. Ann heeft de tassen van het tapijt kunnen redden maar het tapijt is gisteren vernietigd door de aanval van het monster buiten de grotopening. Ook ik ben mijn rijdier kwijt maar ik heb gelukkig mijn rugzak nog vroegtijdig van het paard gehaald. Ik hoop maar dat het paard de vrijheid heeft gevonden en dat het niet door het monster is verorberd.

Na het ontbijt pakken we onze spullen weer bij elkaar en gaan verder het gangenstelsel in. Het gangenstelsel bestaat uit een groot aantal trappen en bruggen. De bruggen zijn her en der kapot geslagen en we moeten soms halsbrekende toeren uithalen om het volgende gedeelte te halen. Dan ineens vanuit het niets horen we gezang. Niet onheilspellend, alles behalve. Het is meer sereen, rustgevend en uiterst dodelijk. Nog net kan ik Seebo van een gewisse dood redden door hem bij brugeind weg te trekken. Verbaasd kijkt hij me aan. “Wat ben jij in godsnaam aan het doen kleintje” vraag ik Seebo. “Geen idee, wat dan” vraagt hij mij. Ik wijs naar de afgrond en naar zijn tenen die net iets over het brugdeel steken. “Wowww” en Seebo springt naar achteren. Helder dus … ik moest maar eens een power voorbereiden zodat ik voor de moeilijke passages ook een uitvlucht heb.

Als Hundra, Ann en Seebo op het volgende brugdeel staan, neemt Tharilith een sprong maar haalt de overkant niet. Ik bedenk me niets en spring achter Tharilith aan. Gezien ik me bewust afzet naar beneden, ga ik sneller en ik klap vol tegen Tharilith aan. Gelukkig haal ik, ondanks de inpact tegen Tharilith, de muur samen met Tharilith en grijp me vast. Blij dat mijn power werkt kijk ik een beduuste Tharilith recht aan. “Geen dank” zeg ik, “klimmen meid”. Met vereende krachten komt eerst Tharilith, en daarna ik, boven op het brugdeel waar ook de anderen staan. Ook hier een paar beduuste gezichten … Die zullen ook wel gedacht hebben -wat doet die idiote psion nu in godsnaam. Ze werpt zich zo de diepte in-. Ik klopt me af en maak de opmerking “vertrouwen mensen, vertrouwen. Een heldere geest is tot onvoorstelbare dingen in staat”.

Als we weer verder willen gaan, worden we ineens belaagd door een groepje vliegende vrouwen … harpijen. Die ken ik uit de boeken van mijn oom. Vervelende feeksen zijn het. Voordat we goed en wel kunnen reageren op deze vervelende ontmoeting grijpen ze Tharilith en nemen haar mee uit ons zichtveld. -Heb ik verdomme daar alle moeite voor gedaan- denk ik nog als ik Tharilith net uit mij zicht zie verdwijnen. Geschreeuw in de verte doet ons vermoeden dat Tharilith er spoedig niet meer zal zijn. Als het rustig is, na een minuut of twee, besluiten we verder te gaan, verder de mijn in. Tharilith is niet meer maar wij moeten verder, hoe moeilijk dit ook is. Ik had het afscheid van Tharilith iets anders voor me gezien dan dit.

Nog één sprong en we staan weer op een gedeelte met een trap omhoog. Aan het einde van de trap is een plateau. Van de kant die we opgaan horen we een geluid onze kant opkomen. Daar staan we dan, een afgrond achter ons en een trap waar elk moment een horreur van niet geringe afmeting aan kan komen. Tijd voor een power misschien? Seebo en Hundra hebben lef en gaan de trap wat verder op. Ik blijf nog even staan, je weet maar nooit.

Dan zie ik bovenaan de trap een demonische verschijning, een creatuur met een groot zwart zwaard. Het gedrocht lijkt vleugels te hebben en ik zie Hundra angstig heen en weer draaien. Seebo probeert een spreuk maar het creatuur maakt duidelijk dat het daar niet van gediend is. Met een trap onder zijn kin rolt Seebo de trap af in mijn richting. Ik kan Seebo nog net grijpen. “Verdomme” hoor ik Hundra roepen “Tharilith gebruikt het zwaard”. In een fractie van een seconde bedenk ik een oplossing.

Het touw en de power die nog werkt op mij moet de combinatie zijn die gaat werken. Ik grijp een uiteinde en zeg dat Hundra hetzelfde moet doen en dan moet wachten op mijn aanwijzingen. Ik klim onder de brug langs om zo ongemerkt achter Tharilith te komen. Als ik op het plateau kom sluip ik achter Tharilith langs en knoop het uiteinde van het touw vast aan mezelf en veranker me aan de balustrade. “Hundra spring NU!!” roep ik en ik voel na een aantal seconden het touw strak. Ik kijk in de richting van Tharilith. Die zie ik niet meer. Snel klimt Hundra omhoog en we staan beide op het plateau.

Ik zie Tharilith liggen op de trap in haar eigen verschijning. Het zwaard ligt op de trap. Ik ren er naar toe en schop het over de rand van de trap de diepte in. Ik kijk naar Hundra. Zichtbaar blij, om van het ellendige zwaard verlost te zijn, steekt ze haar duim op. Ook ik steek mijn duim op als teken dat alles goed is en gewerkt heeft. Seebo kijkt triest de afgrond in. “Ja, een enorme hoeveelheid goudstukken op de bodem van deze onmetelijke diepte … zie je nu hoe oncontroleerbaar magie kan zijn en hoe controleerbaar de heldere geest” zeg ik tegen Seebo. Maar hij staart alleen de diepte in. Ik klop hem op zijn schouder en zeg “we moeten verder Seebo, kom op”.

We zorgen dat Tharilith weer bij positieven komt en dan vervolgen we onze weg, de Weg van Abbaran. Op een soort van splitsing met bruggen en trappen, na 10 meter lopen, krijgen we gelijk weer een stel vervelende creaturen op onze nek en dit keer héél veel. Een grote groep vliegende soort octopussen valt ons aan. We missen hierdoor, achteraf, een belangrijke aanwijzing maar dat komt zo. Octopussen: opzich geen hekel aan octopussen, prima maaltijd maar dan wel uit de zee en niet vliegend en bijtend. De groep belagers weet ons bijna allemaal van elkaar te scheiden. Ik ben de laatste die weer weet aan te sluiten bij de groep. Meerdere malen ben ik genoodzaakt een power te gebruiken en een deel van deze octopussen af te slachten. Na een aantal verhitte minuten besluiten de wezens het voor gezien te houden en op zoek te gaan naar een andere prooi. Rust … al-hoe-wel. In de verte horen we een constant gerommel.

Als we de brug blijven volgen wordt het gerommel steeds harder en na een goed uur gelopen te hebben staan we voor een bulderende waterval. Ann gaat op verkenning te gaan met haar bezem. Als Ann terug komt vertelt ze dat de waterval van boven, het aardoppervlak, naar beneden valt … wel meer dan 5 kilometer. Maar ze kan ons wel één voor één om de waterval heen vliegen. Dat zal hooguit een halfuur duren per persoon. Ik weiger resoluut. “Geen magie waar ik mij leven aan waag Ann. Zijn er andere mogelijkheden? Afzakken naar beneden bijvoorbeeld?” vraag ik. Ann duikt de diepte in en zegt, na één keer voor niets naar boven te zijn gekomen, dat er een bootje ligt.

We besluiten de gok te wagen en het bootje te nemen. We komen uit op een brug die parallel loopt aan de brug waar we net liepen. Van hieruit gaat Ann terug naar de splitsing met bruggen en trappen die ik al vernoemd heb maar waar ik op terug zou komen. Hier ligt inderdaad weer een rune. Weer de oud-common “A”. We zitten nu op de goede brug.

Hier besluiten we kamp te maken en rust te nemen. Morgen gaan we weer verder op de Weg van Abbaran …

(Dag 54) 1e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

We vervolgen onze weg ... maar waar is "De Weg" eigenlijk?

Deze ochtend begint met een ontbijt, bestaande uit een nap thee en een stuk brood, zoals altijd zeg maar. We bespreken het plan van aanpak, welke richting we opgaan en hoe daar te komen. Het idee is om om de grote waterval heen te gaan naar de andere kant van de 'eerste' brug waar we op stonden. Aldus geschiede. Ann en Hundra op de bezem van Ann en Hundra trekt het bootje met Seebo, Tharilith en mij voort middels een touw aan de boeg.

We varen en varen, naderen de waterval van heel dichtbij en halen de andere kant. We zien de brug, onze eindbestemming. In de verte zien we silouetten van meerdere bruggen maar we laten ons niet 'misleiden' en houden vast aan ons plan. Ann vliegt de brug op en samen met Hundra haalt ze ons naar boven. Na niet al te lange tijd vervolgen we onze weg, van de waterval af naar het grote onbekende.

Na een klein uurtje lopen, staan we tegen een blinde muur. Naar links en rechts een trap naar beneden, het water in. Wat is dit dan nou weer? Hundra gaat de trap af en controleert of de trap verder doorloopt en of er een moment komt waarop je, met je hoofd nog steeds boven water, door kan lopen. Helaas, de missie van Hundra wordt niet succesvol afgesloten. Door het water moeten we zwemmen.

Tharilith vindt in de muur een aantal geheime openingen maar ze kan deze niet openen. Ik denk even na en meldt haar dat ze even moet aangeven waar die openingen dan zitten. Het blijken er 7 te zijn. 2 redelijk grote en 5 kleinere. Met een power manipuleer ik de stenen die de openingen verborgen houden. Dunne klei stroomt naar beneden en we zien 5 steden, een soort van tenminste, een opening met een paneel, deze heeft 3 hendels, én een opening met een deur. Tadaaahh, … de deur, de doorgang.

Vol goede moed gaat Ann flink lopen sjorren aan hendel 1. Ieder doet een pas, sommigen van ons zelfs meerdere passen, achteruit. De deur gaat op een kier. Sjorren aan de 2e hendel opent de deur nog verder. Maar ook nu … eerst allemaal een stapje achteruit. Als de 3e hendel moet worden geprobeert, staat de groep al op een aantal meters van de deur verwijderd. Je weet maar nooit tenslotte. Ann trekt aan de hendel en … met een grote klap valt er een instument naar beneden en het begint een zoemend geluid te maken. De deur is open maar daar is alleen een ruimte achter voor het instrument dat nu, zoemend en wel, een paar electiciteitschokken laat zien.

We rennen voor wat het waard is en als we net buiten bereik zijn, gelukkig maar, ontlaad het instrument zich met een enorme bliksem alle kanten op. De arme Seebo moet het net treffen, hij wordt vol getroffen door de bliksem. Korte beentjes hebben soms voordeel maar veelal één nadeel. Je bent minder snel dan de grote mensen! Weer begint het instrument te zoemen en weer een paar kleine schichtjes zijn te zien. Deze route is geen optie en houden het hier dus maar voor gezien.

We gaan terug naar de boot en gaan een kant op waar Hundra iets gezien heeft tijdens onze tocht in de richting die we nu zijn gegaan. Als we aankomen op die plek, zien we een heel klein eilandje met net voldoende plek om een dwergenskelet, met vergaan armor en een schild te huisvesten. Op het schild staat de 'A'. Een arm van het skelet steunt op een roestige bijl wijst noord-oost … wellicht moeten we die kant dan maar op.

Na een redelijke tijd varen in de richting die het dwergenskelet 'aangaf', komen we aan bij een witte (al zit deze voor een groot deel onder de drek, smurrie en algen van het smerige water alhier) muur bewerkt met allemaal uitgehouwen stylistische dwergen. W e varen er langs als mijn oog ineens valt op iets dat lijkt op een 'A'. Ik geef Ann aan even om te keren zodat ik het voor de zekerheid kan nakijken. We draaien om en … ja hoor, een 'A'. We zitten dus op de goede weg. Echter weten we niet of we hier nu links of rechts moeten.

Al zoekend naar een pijl of een andere aanwijzing druk ik per ongeluk op de 'A' en ik hoor een “klonk”. Snel trek ik mijn handen terug en, ondanks dat ik nergens meer met mijn vingers aanzit, schuift de steen toch verder weg in de muur. Dan, tot ieders verbazing, zakt de muur voor ons, ongeveer 20cm boven het wateroppervlak, naar beneden. Onze boot loopt tegen de muur aan. Van schrik, denk ik, laat Hundra het touw los en de boeg, waar ik zit draait richting de ontstane opening. De kracht van het water is enorm en ik besef me dat tegenhouden geen zin gaat hebben. De kans dat ik in het water beland en vervolgens toch meegesleurd ga worden is uiterst groot. Ik besluit dat het beter is om in het bootje te gaan liggen en maar hopen dat het niet omslaat. Ik lig, voor nu in elk geval, veiliger … in de boot in plaats van ernaast.

Hundra ziet dat de boot richting de opening draait en grijpt de achterkant van de sloep. Uit volle macht proberen Hundra an Ann recht te zetten wat Hundra in een vlaag van verstandsverbijstering, zo vermoed ik, heeft nagelaten namelijk: de boot vasthouden en op dit grote, ondergrondse binnenmeer, houden. Dan schieten we ineens met volle vaart vooruit en ik besef dat Hundra en Ann niet geslaagd zijn in hun poging. Een wilde vaart is ons deel en allen Seebo, Tharilith en ik, zijn blij dat we plat in de sloep liggen. Vele keren raakt de sloep het lage plafond en we moeten er allen niet aan denken wat dat met ons hoofd of andere lichaamsdelen had gedaan als we niet hadden gelegen.

Dan minderen we eindelijk vaart. 'De muur waar we door naar binnen zijn gekomen moet weer dicht zijn' zo is mijn gedachte. We komen uit op een ander meer. Wel is dit meer een stuk kleiner en met uiterst helder water. Vreemd want waar is al dat smerige water vanuit het andere meer gebleven dan? Wat verder opvalt is dat dit meer licht geeft. De bodem radieert een redelijk vage gloed door de gehele grot en een fakkel is hier niet nodig. Het biedt ieder voldoende zicht om een eindje vooruit en rond te kijken te kijken.

In het meer komen her en der stalagmieten omhoog en hangen er boven het meer stalactieten. Ook zijn er enorme zuilen te zien waar beiden elkaar raken. Een kleine tien minuten roepen we naar Hundra en Ann maar een reactie blijft uit. Er zit niets anders op dan nu te gaan roeien en te kijken waar hier een doorgang is anders dan de opening waar we door naar binnen zijn gekomen. Die weg is, zoals ik vermoed, weer afgesloten. We roeien een eind over het meer en vinden uiteindelijk in een hoek een steiger van vele jaren oud.

Seebo waagt zich als eerste op de steiger en loopt naar een soort nis wat op een doorgang lijkt. Op het teken, van Seebo, dat we hier verder kunnen verlaat ook ik de boot en loop, over de steiger, richting het gangetje. Hier gaan we even zitten en ons volgende plan bedenken. Seebo pakt zijn spreukenboek erbij en begint te lezen. Ik lees mee maar word absoluut niet wijzer uit het gekriebel wat er op papier staat. Tharilith loopt wat onrustig heen en weer en meldt ons na een klein kwartier dat zij toch op zoek gaat naar Ann en Hundra. Ik heb die hoop al opgegeven, anders waren ze hier toch zeker al geweest, Ann heeft tenslotte een bezem. Maar als het Tharilith gerust stelt, moet ze vooral gaan zoeken. Kort daarop pakt Tharilith de riemen en begint te roeien, het meer op.

Na een klein uurtje komt Tharilith terug met, wonderwel, Ann en Hundra. Geheel tegen alle verwachting in hebben ze het toch overleefd. Gelukkig maar. We horen nog dat ze een vervelende ontmoeting hebben gehad met een monsterlijke paling hier, in het meer een eind verderop. Als iedereen weer uit de boot is en iedereen in de gang staat, vervolgen we onze weg. De gang loopt spiraalvormig naar beneden en eindigd bij een deur met een rond raam. Ann meldt dat ze achter het raam een vis ziet zwemmen. Dit is dus niet de doorgang die we moeten hebben. Maar waar dan heen? Dan horen we allemaal een stuk metaal vallen. We bedenken ons niets en we gaan rennend terug richting de steiger.

Buiten adem en met de schrik goed in de benen komen we aan bij de steiger maar er is niets gebeurd waardoor we in de val zitten. Dit was namelijk ons eerste vermoeden. Wel zien we nu, hier net bij de ingang van de gang dat er een paneel is weggevallen en het onthult een groot wiel, een klein wieltje en twee hendels. Wat is dit nu weer. Seebo onderwerpt het plafond aan een grondige inspectie. “Er hangt wel wat maar geen idee wat het is” meldt Seebo ons. “Zal ik eens aan het grote wiel draaien” vraag ik en zie de anderen al een stap achteruit doen. “Ga je gang” is het algemene antwoord.

Ik draai en langzaam komt er een soort tube van het plafond naar beneden. Als ik niet verder kan draaien, is de tube geheel onder water gezakt voor de deur … -Aha dus dat is het idee- denk ik. Ik trek aan de eerste hendel … luchtbellen bij de eerste deur. De tweede hendel veroorzaakt luchtbellen aan de andere kant van de tube. Hier zal vermoedelijk de andere deur zitten. Als ik aan het kleine wieltje draai, ontstaat er een enorme luchtbellenmassa over de gehele lengte van de tube.

Weer gaan we met z'n allen naar de deur en Ann opent de deur. Een golf water slaat over haar voeten maar de gang ligt voor ons, relatief droog. We lopen door de tube naar de andere kant en ook daar is een deur. Snel opent Ann ook deze deur en we staan in een witte, marmerachtige gang. Deze volgen we en op elke kruising vinden we 'A'. De weg is relatief makkelijk. En uiteindelijk staan we in de buitenlucht, midden in een berggebied op een richel.

Een geitenpad naar links leidt ons het dal in. Tijd om kamp te maken.

(Dag 55) 2e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Van het geitenpad naar een dwergenbouwwerk. 't Is een kleine stap ...

Als we wakker worden en het ontbijt achter onze kiezen hebben, vervolgen we het geitenpad bergafwaards. Af en toe hebben we moeite ons staande te houden want er liggen soms een paar losse stenen. Gelukkig bereiken we veilig het dal en het is hier aanzienlijk minder koud dan boven. Hier in het dal stroomt een rivier en vermoedelijk moeten we deze oversteken.

We staan langs de rivier en we zien een kolkende massa van smeltwater. Af en toe een boomstam die van boven naar beneden wordt meegenomen door de sterke stroming. Links en rechts van ons zien we een groot aantal bruggen maar ogenschijnlijk voldoet geen enkele brug om met een rustige tred aan de overkant van de rivier te komen. Wel zien we een eilandje, met een klein bouwwerk erop, in het midden van de rivier. De brug naar dit eilandje lijkt redelijk in takt te zijn en we besluiten deze brug maar te nemen en het bouwwerk te inspecteren.

De overkant van de brug wordt zonder al te veel problemen bereikt door de gehele groep en we lopen naar het bouwwerk. We vermoeden dat dit dwergenwerk is. Het ziet er solide en degelijk uit, gemaakt om de tand des tijds te doorstaan en menig levend ras te overleven. Ook verraadt het beeldhouwwerk boekdelen; gestileerde dwergen sieren de vijf zijkanten van het bouwwerk. Seebo gaat als eerste op onderzoek uit naar een ingang en Ann en ik bekijken de vorderingen van Seebo even vanaf een afstandje.

Uiteindelijk is de ingang gevonden en het blijkt dat de ruimte vijfkantig is. Ook de ingang is vijfkantig en we vragen ons allen af vanwaar deze dwergen dit bouwwerk hebben opgetrokken uit vijf zijden … 't zal voor de dwergen wel een heilig getal zijn denk ik.

Na een grondige inspectie van Seebo door dit gedeelte van het bouwwerk vinden we een doorgang naar een andere ruimte. We gaan de grond in en ik vermoed dat we op deze manier onder de rivier doorgaan naar de andere zijde van de rivier. Alles ziet er hier beneden schoon en opgeruimd uit. Toch vreemd dat we geen dwergen of andere wezens tegenkomen. Wie ruimt er zo goed op en verlaat vervolgens zijn vesting? Dwergen … geen twijfel mogelijk. Weer zien we vijfkantige doorgangen met daarachter vreemdsoortige ruimtes. We zien een wapenrek die compleet uit de muur is uitgehakt … deze dwergen hebben zeker tijd te veel gehad en die tijd gestoken in hun hobby. Alles wat we hier zien is te ziek voor woorden en ik besluit na een tijdje geen aandacht meer te besteden aan de uitgehakte ornamenten in dit bouwwerk. Het leidt alleen maar af van hetgeen waar we voor komen … veilig de doorgang vinden naar de andere kant van de rivier.

Ik keuvel wat met Ann als we door de gangen lopen. We lopen al een geruime tijd en ik weet zeker dat we de andere zijde van de rivier al meer dan eens bereikt zouden moeten hebben maar nog steeds geen einde aan dit gangenstelsel. Ik word er een beetje moe van, ik wil gewoon daglicht. Wat is daar mis mee zou je denken? Niets. Waarom bouwen die dwergen alles dan onder de grond? Om ons, de mensen, te zieken. Kan niet anders stellen Ann en ik gezamelijk vast.

Na een aantal uren door het gangenstelsel te hebben gelopen en trappetjes op en af te zijn gegaan komen we aan bij een deur. Hè hè … een welkome afwisseling. We openen de deur en gaan naar binnen. In deze ruimte vinden we drie grote stenen tafels die geheel zijn uitgehakt uit de rots. Ook zien we bij deze tafels een groot aantal nissen in de muur zitten en aan de tafels zitten sleuven waar vermoedelijk materialen in kunnen liggen. Hier en daar zien we in de sleuven nog vergane zooi liggen. Waar kan deze ruimte eigenlijk voor dienen?

Dan ontdek ik in het midden van de ruimte, in de vloer, een groot vijfkantig kristal met daaromheen de tekst: “Reparatieafdeling van de Vesting Huul”. Ah, het is een reparatieafdeling. Maar wat repareren ze hier dan? Een antwoord op deze vraag krijgen we al snel. Naast de tafels staan grote stenen platen die me in eerste instantie helemaal niet opgevallen waren. Nu zie ik ze duidelijk en daar heb ik de volgende gebeurtenis hard bij nodig gehad.

Een van de platen knalt open en een creatuur van metaal met een gemuteerd dwergenlichaam in het centrum valt Tharilith aan. Ik kijk om me heen en ik zie dat we deze ruimte via een andere deur kunnen verlaten. Ik bedenk me geen seconde en loop naar de deur. Ik open deze en neem de situatie in me op. Ann volgt me al snel en na een aantal seconden staat de hele groep veilig aan de andere kant van de deur. Het creatuur is te groot en kan ons niet volgen via deze uitgang.

We lopen verder door het gangenstelsel en na een aantal minuten komen we weer uit in dezefde ruimte. Nu zijn er echter twee creaturen in de ruimte. Degene die Tharilith aanviel ligt op een van de tafels en een tweede staat naast de tafel. Hundra is het zat en kiest de aanval … waarom doet ze dat nou? In mijn optiek is dit geheel overbodig maar wat kunnen we nu anders doen dan volgen en Hundra ondersteunen in deze benarde situatie.

Er ontstaat een gevecht tussen Hundra en het creatuur die naast de tafel staat. Het creatuur dat op de tafel ligt, komt overeind en kiest ons als tegenstander. Ik duik de gang in waar we net uit zijn gekomen en gooi mijn powers op het creatuur. Tharilith en Seebo houden het tweede monster tegen en Hundra is druk met de eerste. Na een aantal minuten liggen de creaturen op de grond.

Waar moeten we nu naar toe? Hundra stelt de derde stenen plaat als optie voor. Ik ben nog niet zeker maar een andere doorgang zie ik ook niet. Ik besluit me neer te leggen bij de optie van Hundra. Ze opent de deur en daar hant een harnas met in de nek een vreemdsoortig mes. Op het harnas staat een 'A'. We moeten dus deze kant op. Good call Hundra!

We lopen de gang in achter het harnas en we komen uit bij deur. Hundra opent de deur en we komen op een riggel. Een immense hitte overval ons en we zien en klokende massa lava die een paar meter onder ons stroomt. Helaas is er geen brug. Hoe gaan we aan de overkant van deze lavarivier komen? We kijken wat beter een een rails gaat, een meter of twee boven ons, van de ene kant naar de andere kant van de lavarivier. Hundra waagt het erop en behaalt gelukkig de overkant. Echter ze heeft de overkant maar net bereikt als ze op de grond valt en bewegingsloos blijft liggen.

Ann besluit het harnas te halen en over de rails te geleiden naar de lavarivier. Het idee is om daar in te gaan zitten en zo naar de overkant te gaan. Echter loopt dit uit op een fiasco en een hoop geklungel … tempo mensen, Hundra heeft onze hulp nodig!! Maar we klungelen nog even een paar minuten door als er iemand de opmerking maakt dat Hundra niet meer aan de overkant ligt.

Snel besluiten we dat ik middels een power een touw naar de overkant laat gaan. We knopen het andere uiteinde waar we nu zijn én we maken een lus om het harnas. Ik ga als eerste over de lavarivier en bereik de overkant veilig … behalve die rot dolk die in dat harnas zit verwondt mij. Maar dat is overkomelijk. Ik stap uit, doe het deurtje dicht en zeg dat het harnas teruggehaald kan worden naar de andere kant. Zo volgen Ann, Seebo en Tharilith.

Ann heeft de tijd genomen om om haar heen te kijken waar ik te druk was met mensen naar deze kant te krijgen. Ze meldt dat de rails plotseling ophoudt en dat er een spleet zit waar de rails eindigd. Een nadere inspectie leert ons dat het een klapdeur is. Verder zien we in deze ruimte een aantal vreemde sporen. Dit duidt veelal op onraad. Waar we ook kijken, geen sporen van Hundra, noch een teken.

We vervolgen de gang achter de klapdeuren en komen aan in een enorm grote grot waar muziek is, licht en een enorme, echt een enorme hoeveelheid miniatuur constructs. Technotrons, ik weet het zeker. Langzaam loop ik de kamer in en de rest volgt gedwee. De Technotrons wijken als ik aan kom en geven mij zo de ruimte te gaan waar ik wil. Maar dan sta ik plots op een plek waar ik eigenlijk helemaal niet naar toe wilde. Gaandeweg de route, door deze grot, hebben die kleine mechanische dingen het voor elkaar gekregen mij geheel ergens anders te krijgen door her en der meer ruimte te geven en, anderzijds, ergens anders weer minder ruimte te geven. Wat een ellende zeg.

De ruimte waar we nu voor staan is vol met nog meer technotrons en aan de andere kant van die ruimte staat Hundra. Ze laat ons een tijdje wachten en dan mogen we naar haar toe door een haag van technotrons. Hier debateren we nog een geruime tijd met elkaar over welke construct er nu dood is gemaakt door ons, dood was middels een dolk in de nek en of wij nu helden, heersers, meesters of goden zijn. Hier verschillen we nogal over van mening.

Na een goed debat vallen we als een blok in slaap. Wat brengt de morgen ons?

(Dag 56) 3e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

"Jaaahh, naar het licht!!" juicht het volk. Geef ze brood en spelen ...

De volgende ochtend staan we redelijk fris op. We nemen een ontbijt (brood en thee) en we willen vertrekken, de weg van Abbaran vervolgen. Het volk, de Technotrons, meent dat Hundra hen de weg zal leiden naar het licht want, zo hebben we gisteren begrepen, de onderdrukkers (de twee constructs die we verslagen hebben én het harnas aan de rails … naar het schijnt!) zijn dood. Heil aan de Overwinnaars!!

We lopen de grote grot in richting het grote beeld van alléén een hoofd. 12 meter reikt dit hoofd de hoogte in. Voor het beeld staat een stoel, liggen wapens, staan kratjes met flesjes en nog meer zut en zooi. Hundra, Seebo en Ann beginnen, na toestemming te hebben van de Technotrons, te graaien en te zoeken tussen de spullen. Ik laat me maar eens in de stoel zakken en bekijk de drie groepsgenoten. Waarom dat geouwehoer om een hoop ouwe meuk vraag ik me af. Als iedereen is uitgegraaid, geeft Hundra een teken en opent het beeld zich door zich in tweeën te delen. Als bijna iedereen op het punt staan om de gang erachter in te gaan, breekt de hel los.

Achter de groep, ik zit nog in de stoel overigens, staat het harnas, dat wij gebruikt hebben om over de lavarivier te komen, in volle glorie. Het roept de Technotrons toe dat Hundra de Valse Profeet is. Ook de andere twee constructs komen ten tonele. De Technotrons vluchten weg, schieten her en der nisjes, ruimtes en gangetjes in. Wij maken ons gereed voor een gevecht …

Het harnas opent de aanval met een paar pijlen uit een tube dat hij op zijn schouders draagt. Zonder enige moeite treffen deze pijlen doel. De blauwachtige gloed om de pijlen doen mij vermoeden dat deze op een of andere manier magisch geladen zijn. De twee kleinere constructs snellen voorwaards. Dit wordt nog een lastige kluif realiseer ik me. Ik besluit met een power de snelheid van de twee kleinere constructs te laten afnemen. Ik ontlaad mijn eerste power en tref doel. De uitwerking is zoals verwacht … Één van de constructs gaat aanzienlijk langzamer.

Hundra snelt op de snellere kleine construct af en tot mijn verbazing zie ik ineens twee Hundras. Een blik opzij leert mij dat Seebo ook een duit in het zakje heeft gedaan. Tharilith laat haar eerste pijlen vliegen en Ann vliegt met enkele denkbeeldige vriendinnen naar het harnas om daar een poging tot schade te gaan doen. Ondanks dat het een zware kluif gaat worden ziet het aanvalsplan er best redelijk uit. Hopen dat wij de langste adem hebben. Meer kunnen we niet doen.

Een aantal ronden gaat het gevecht door als uiteindelijk onze groep de zege kan uitroepen. De drie constructs gooien we in de lavarivier om er voor eens en voor altijd van verlost te zijn. Er wordt voor een tweede keer gegraaid tussen alle zaken die bij de troon liggen en ook de Technotrons komen weer tevoorschijn uit hun schuilplaatsen. De stemming bij de Technotrons is euforisch. Hundra wordt ten tweede male uitgeroepen tot de Heilige Profeet die de Technotrons naar het licht zal leiden. Dan, als onze waterzakken zijn gevuld, verlaten wij de enorme ruimte en gaan de gang in. “Op naar het licht” jubelt de menigte.

(Dag 59) 6e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Hèhè, frisse buitenlucht. Al-hoe-wel ..., zinderende hitte is een betere benaming

Na drie dagen door het gangenstelsel te hebben gedoold bereiken we eindelijk het licht. De Technotrons spurten massaal naar buiten en dat hadden ze beter niet kunnen doen. Als het volk goed en wel buiten is, lopen ze vast. Het fijne stof doet hun mechaniek geen goed. Spartelend en pruttelend komt dit mechanische volkje aan het eind. 'Toch tragisch dat ze zo aan hun eind komen' denk ik nog. Gelijk poets ik die gedachte weer weg met een nieuwe gedachte 'wellicht is dit wel de reden waarom ze bestaan hebben, om te “sterven” in het licht'. Die gedachte hou ik maar vast. Er gebeuren wel vreemdere zaken die op het eerste oog onverklaarbaar en nutteloos zijn. Als je er dieper over nadenkt, is er altijd een goede reden voor.

Daar staan we dan, in de opening van een grot en voor ons een immense vlakte (en een berg Technotrons). Er staat een redelijk sterke wind die stof en klein gruis doet opwaaien. We weten niet goed wat te doen en we besluiten eerst eens te overleggen. Het besluit om 's avonds te gaan reizen is redelijk snel genomen. “Hoe laat is het nu eigenlijk” vraag ik maar eens aan de geleerden in de groep. “Euhm …” is het meest voorkomende antwoord.

Tharilith loopt de grot uit en plaatst haar zwaard in het losse gruis. Bijna geen schaduw op de grond dus, zo vermoeden enkelen uit onze groep, het is middag. En dan spreekt de advocaat van de duivel weer. Ik kan me gewoon niet inhouden, ik moet de volgende opmerking gewoon plaatsen. “Nou, in die elvenstad Myriant, stond alle dagen een zon en was er geen dag of nacht. Wie zegt dat dat, ook nu, niet het geval is”? “Euhm, …” is wederom het meest gehoorde antwoord. 'Ja, scherp blijven jongen en meisjes' denk ik en draai me met een glimlach op mijn gezicht om richting de uitgang van de grot. De hoeveelheid water die we bij ons hebben baart me zorgen.

Als de avond valt, lopen we de grot uit en volgen de kaart. We hebben besloten langs de bergen te reizen en dat ik, gedurende de uren daglicht, twee powers gebruik om ons beschutting te bieden tegen de brandende zon en eventuele belagers. Tijdtechnisch gezien is dat het meest ideale. Ik kan tien uur beschutting bieden van de twaalf uur daglicht. Het eerste uur en het laatste uur zullen het minst intens zijn qua hitte.

(Dag 60) 7e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Een lange nacht, een vreemde grot.

Na een nacht gereisd te hebben komen we aan bij een grot. Het heeft een grote gong voor de ingang en er gaan al stemmen op deze gong eens flink op z'n sodemieter te geven. Ik verbied het en krijg bijval van Tharilith. Ann en Seebo kijken enigszins beteuterd. “Ja, sorry hoor maar laten we geen onnodige risico's gaan lopen. Inspecteer die gong nou maar eerst voordat je er een mep op geeft. Wellicht dat jullie die tekens op de gong kunnen ontcijferen om te achterhalen wat er gebeurt als je op de gong slaat” zeg ik als ik richting de grot loop samen met Tharilith. Met een schuin oog hou ik Ann en Seebo in de gaten. “Niet doen hè …” roep ik vanuit de grotopening naar Ann die ietwat betrapt naar me kijkt. Ik plaats mijn vingers aan de zijkant van mijn hoofd om te laten zien aan Ann dat ik meen wat ik zeg. Ann begrijpt de hint …

In de grot is een vuurplaats en er staat, langs een kant, een bank gehouwen uit steen. Verder zien wij in de grot nog enkele zinnen of woorden staan in een voor ons, Tharilith en mij, onbegrijpelijke taal. Her en der een paar zinnen die ik wel kan lezen maar die bieden geen houvast aangaande de gong en deze grotopening. Op het oog ziet het er veilig uit en we besluiten hier de dag door te brengen.

(Dag 61 t/m 69) 8e t/m 16e oogstmaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

Het water raakt op maar, ik heb een oplossing ...

We reizen nog enkele nachten (8 om precies te zijn) door als we in de ochtend van de 16e oogstmaand weer een grot vinden. Deze heeft geen gong maar wel twee palen waaraan deze bevestigd zou kunnen zijn, gelijk bij de eerste grot. Na enig speurwerk vinden we de gong onder een laagje gruis en weer is het Ann die meent iets met die gong te moeten gaan doen voornamelijk een geluidje maken op de gong. Weer waarschuw ik haar dit niet te doen. Ik moet afleiding vinden voor Ann.

Ik kijk naar de bergen en naar Ann. Dan naar de waterzakken en terug naar de bergen. Dan weer naar Ann … “Zeg Ann, is het mogelijk dat jij sneeuw uit de bergen haalt om ons waterniveau weer op peil te brengen” vraag ik haar. “Het toeval wil dat ik daar ook net aan dacht” zegt Ann me. “Mag ik daar uit op maken dat jij dat wel wil gaan doen” vraag ik maar weer aan Ann. “Natuurlijk” verzekert ze mij “zo'n geweldig idee kun je niet laten lopen natuurlijk mede gezien het ook mijn eigen idee is …”.

Ann stapt op haar bezem en vliegt, samen met Tharilith die meegaat ter bescherming, de bergen tegemoet met onze lege waterzakken. Wij maken kamp in de grot. Deze grot ziet er meer gehavend uit dan de vorige maar we zien geen reden om ons kampement hier niet te maken. We wachten gelaten op de terugkeer van Ann en Tharilith met, hopelijk, weer volle waterzakken.

(Dag 70 t/m 156) 17e oogstmaand t/m 12e okermaand 1165, het jaar van de Knakkende Tulp

In vogelvlucht (zoals de raaf vliegt!)

Nou, even weer schrijven. Het is er de laatste tijd niet van gekomen. Maar nu, nu onze queeste ten einde is, heb ik weer tijd om een krabbeltje te schrijven.

Er is veel gebeurd en er zijn vele dagen verstreken. Zo hebben wij de dwerg Andraï ontmoet. Hij heeft ons zijn hulp aangeboden om in Haak aan te komen. Vervolgens zijn wij met een zandschip richting Haak gegaan. Midden in de woestenij hebben wij een gevecht geleverd met twee gigantische monsters waardoor wij het zandschip verloren. Maar gelukkig vonden we een hele basis waar meerdere zandschepen lagen. Na, ook hier, een gevecht te hebben geleverd (dit maal met dwergen) zijn we weer verder gegaan naar Haak.

Na een tocht van enkele dagen zijn we aangekomen in Haak. We zijn via een geheime ingang de stad binnen gegaan en hebben de hele buitenste ring om de stad afgelopen. We kwamen hier slecht 3 dwergen tegen en dat was opzich vreemd. Haak is namelijk een hele grote stad van rond de 100.000 dwergen. Hier, in de muren van de buitenste ring, vonden we een geheime doorgang naar de binnenste ringen van de stad.

Ook hier leveren wij nog enkele gevechten en komen uiteindelijk aan in de troonzaal. Hier zitten drie stokoude dwergen meer dood dan levend op een troon. Ze hebben de symbolen van macht in hun handen. Omdat niets vanzelf gaat, moeten wij ook hier in de troonzaal een slag leveren. En deze slag blijkt gelukkig onze laatste slag te zijn. We geven Andraï de drie symbolen van macht en vertoeven een aantal dagen in de stad Haak. We genieten van onze 'heldenstatus' en ontdekken hoe immens groot de stad eigenlijk is.

Dan krijgen we, de 1e okermaand, een brief die afkomstig is van de stadhouder van Kløff. Het is een brief waarin te lezen is dat we persona-non-graat zijn in Kløff. Dat is niet best, althans dat is de eerste gedachte. Maar al snel weten we die gedachte te onderdrukken en genieten we weer van de stad en al haar vertier. Maar 's avonds bij het avondeten, komt toch de brief weer boven. Wat gaan we doen?

Er wordt besloten, niet gelijk de eerste avond hoor, maar op de 11e okermaand, dat we wel teruggaan naar Eliat. Waar we dan precies residentie nemen is nog niet duidelijk maar dat we teruggaan is wel duidelijk. Als ik in de nacht van 11-12e okermaand een briefje boven mijn bed vindt mat daarin een mededeling van Sté, wordt ons eerstvolgende reisdoel bekend.

We moeten naar het oostelijk deel van de Grote Vahr Woestijn …

De vraag is, hoe komen we daar? Welke route nemen we? Wat gaan we allemaal aanschaffen aan proviand voor ruiter en rijdier? … we hebben gelukkig al een rijdier.

victoria.txt · Laatst gewijzigd: 2014/02/19 10:10 door bart